Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[Naam], eiser,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, werd op 2 maart 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op 8 maart 2022 werd de bewaring opgeheven door verweerder. Eiser stelde beroep in tegen het besluit tot bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding wegens vermeend onvoldoende voortvarend handelen.
De rechtbank behandelde het beroep op 9 maart 2022 en richtte zich op de vraag of de tenuitvoerlegging van de bewaring onrechtmatig was geweest, hetgeen een grond zou vormen voor toekenning van schadevergoeding. Verweerder stelde dat de opheffing van de bewaring het gevolg was van een belangenafweging en niet van onvoldoende voortvarendheid, zoals ten onrechte vermeld op het M113-formulier.
De rechtbank oordeelde dat een bewaring van zeven dagen niet in strijd is met de Dublinverordening, waarin is bepaald dat bewaring zo kort mogelijk moet duren. Het ontbreken van overdrachtshandelingen gedurende deze periode leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding na opheffing van de bewaring wordt afgewezen.