ECLI:NL:RBDHA:2022:2383

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2022
Publicatiedatum
21 maart 2022
Zaaknummer
NL22.3224 en NL22.3225
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel bewaring vreemdelingen en schadevergoeding

Eisers, van Peruaanse nationaliteit, werden op 25 februari 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelden dat de maatregel onrechtmatig was vanwege oneigenlijk gebruik van de machtiging tot binnentreden en dat zij niet wisten dat zij moesten vertrekken uit Nederland.

De rechtbank oordeelde dat de vreemdelingenpolitie zich correct heeft gedragen bij het binnentreden: er werd geklopt en zich als politie bekendgemaakt, en de tijd van binnentreden was niet disproportioneel. Eisers wisten dat zij moesten vertrekken, omdat hun asielaanvraag was afgewezen en een terugkeerbesluit was opgelegd. Zij hadden geen stappen ondernomen om vrijwillig terug te keren.

De rechtbank vond dat de maatregel van bewaring terecht was opgelegd en dat een lichter middel niet passend was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.3224 en NL22.3225

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser 1] en [eiser 2], eisers V-nummers: [nummer] en [nummer]
(gemachtigde: mr. M.H.R. de Boer), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: R. Hopman).

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 4 maart 2022 de maatregelen van bewaring opgeheven.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2022. Eisers en hun gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers stellen van Peruaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1978 respectievelijk [geboortedatum] 2013 .
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Binnentreden
3. Eisers stellen dat de maatregel van meet af aan onrechtmatig is, omdat op onjuiste wijze gebruik is gemaakt van de machtiging tot binnentreden. Bij de binnentreding in de woning van eisers heeft de vreemdelingenpolitie niet gemeld dat zij voor de deur stonden. Op het moment dat de vreemdelingenpolitie voor de kamerdeur van eisers stonden zijn zij direct binnengetreden. Gezien hetgeen eisers in hun land van herkomst hebben meegemaakt en de leeftijd van de minderjarige dochter van eiseres is dit in strijd met het proportionaliteitsbeginsel en in strijd met de zorgvuldigheid. Daarbij is er op geen enkele wijze rekening gehouden met de nachtrust van eisers. Het is extra traumatiserend als op een dergelijk tijdstip vijf mannen of vrouwen in de slaapkamer staan om een staandehouding te verrichten.
4. In wat eisers aanvoeren, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de machtiging tot binnentreden. Uit het proces-verbaal staandehouding overbrenging overdracht van 25 februari 2022 blijkt dat de vreemdelingenpolitie om 6.43 uur richting het gebouw van eisers liepen. Aldaar hebben zij geklopt op de centrale toegangsdeur en de woorden ‘politie’ gezegd. De centrale toegangsdeur werd daarna geopend met een door het Centraal orgaan opvang asielzoekers (Coa) verstrekte loper. Aangekomen bij de kamer van eisers werd op hun deur geklopt. Daarna werd de deur open gemaakt met de door Coa verstrekte loper.
De rechtbank is van oordeel dat het kloppen op de deur van de kamer van eisers en daarna de kamerdeur open maken niet leidt tot oneigenlijk binnentreden. Daarnaast heeft de vreemdelingenpolitie ook bij de centrale toegangsdeur uitgesproken dat zij van de politie waren. Gezien het bovenstaande is er geen oneigenlijk gebruik gemaakt van de machtiging tot binnentreden. De vreemdelingenpolitie heeft gemeld dat zij er waren bij de toegangsdeur en bij de kamer van eisers. Verder is 6.43 uur niet dermate vroeg dat dit ertoe leidt dat de binnentreding disproportioneel dan wel onzorgvuldig is.
Bewaringsgronden
5. In de maatregelen van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregelen vorderde, omdat het risico bestond dat eisers zich aan het toezicht zouden onttrekken en eisers de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweken of belemmerden. Verweerder heeft als zware gronden1 vermeld dat eisers:
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging hebben ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg hebben gegeven;
3i. te kennen hebben gegeven dat zij geen gevolg zullen geven aan hun verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden2 vermeld dat eisers:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
1. Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
2 Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
6. Eisers voeren aan dat zij niet wisten dat ze moesten vertrekken uit Nederland. Zij meenden namelijk dat hun vertrekplicht was opgeschort omdat hun advocaat in hoger beroep was gegaan tegen een uitspraak die was gewezen in het kader van een artikel 64 Vw Pro procedure. Eisers waren er daarom niet op bedacht dat zij Nederland moesten verlaten. Dit betekent niet dat eisers niet wilden meewerken aan hun vertrek, aldus eisers.
7. Voor zover eisers hiermee de zware gronden onder 3c en 3i willen betwisten, volgt de rechtbank eisers hierin niet. De zware gronden onder 3c en onder 3i zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. De asielaanvraag van eisers is op 30 juni 2021 afgewezen en op 12 oktober 2021 is aan eisers een terugkeerbesluit opgelegd. Dit betekent dat eisers een verplichting hadden om Nederland te verlaten, maar dit niet uit eigen beweging hebben gedaan. Verder hebben eisers in verschillende gehoren en vertrekgesprekken gezegd dat zij niet willen vertrekken uit Nederland. In het gehoor voor inbewaringstelling staat bijvoorbeeld het volgende:
“(…). V: Hebben jullie zelf enige stappen ondernomen om jullie vertrek uit Nederland te realiseren?
A: Nee. Ik heb geen stappen ondernomen. Ik heb ook geen plek waar ik heen kan.
V: Wilt u terugkeren naar Peru ? A: Nee. (…).
Hieruit blijkt dat eisers te kennen hebben gegeven dat zij niet willen terugkeren naar Peru . Daarnaast is in verschillende vertrekgesprekken aan eisers gemeld dat zij moesten terugkeren naar Peru , het was dus duidelijk voor eisers dat zij moesten terugkeren. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
8. Eisers voeren verder aan dat zij in de gelegenheid gesteld hadden moeten worden om hun vertrek zelf te regelen, omdat eisers niet eerder wisten dat zij uitgeprocedeerd waren. Verweerder had daarom een lichter middel aan eisers op moeten leggen.
9. De rechtbank oordeelt dat verweerder ten aanzien van eisers terecht niet heeft volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Verweerder heeft hiertoe onder meer overwogen dat eisers op geen enkele wijze acties hebben ondernomen om vrijwillig terug te keren. Verder zijn ook de belangen van de minderjarige dochter van eiseres meegewogen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
10. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. Schuman, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
09 maart 2022
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.

Documentcode: [nummer]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.