ECLI:NL:RBDHA:2022:2438

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2022
Publicatiedatum
21 maart 2022
Zaaknummer
20/9487 en 20/9488
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:24 AwbArt. 6:6 AwbArt. 70 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens ontbreken schriftelijke machtiging in vreemdelingenzaak

In deze bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak heeft de rechtbank Den Haag op 18 maart 2022 uitspraak gedaan over het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Het beroep is ingesteld door P. van Veen namens eiser, zonder dat een schriftelijke machtiging is overgelegd.

De rechtbank heeft eiser en gemachtigde in de gelegenheid gesteld het ontbreken van de machtiging binnen vier weken te herstellen. Deze termijn is verstreken zonder dat een schriftelijke machtiging is ingediend. Telefonisch is bevestigd dat geen machtiging kan worden overgelegd.

Gezien het ontbreken van de vereiste schriftelijke machtiging en het feit dat de gemachtigde niet binnen de gestelde termijn het verzuim heeft hersteld, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er zijn geen proceskosten toegekend. De uitspraak is openbaar gedaan en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging en het niet herstellen van dit verzuim.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 20/9487 en 20/9488

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2022 in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer],
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.
Namens eiser is door P. van Veen tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Omdat geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht, heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt dat het beroep op de rechtbank wordt ingesteld door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bijzondere gemachtigde, zijn referent of een advocaat [1] . Artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter van een gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen. Volgens artikel 6:6 van Pro de Awb voor zover hier van belang, kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, als niet is voldaan aan enig bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
2. De rechtbank heeft uit het beroepschrift opgemaakt dat mevrouw P. van Veen namens eiser beroep heeft ingesteld. Dit kan alleen als zij hiertoe schriftelijk is gemachtigd door eiser. Bij het beroepschrift is geen machtiging overgelegd. Bij brief van 24 december 2020 heeft de rechtbank P. van Veen in de gelegenheid gesteld om dit verzuim binnen vier weken te herstellen. Daarbij is medegedeeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren indien voormeld verzuim niet wordt hersteld.
2.1
Er is binnen de gestelde termijn geen schriftelijke machtiging ingediend. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat P. van Veen in verzuim is geweest
.
Op 26 januari 2022 heeft P. van Veen de rechtbank desgevraagd telefonisch laten weten, dat zij geen schriftelijke machtiging van eiser kan en zal overleggen.
3. De rechtbank zal daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 70 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.