ECLI:NL:RBDHA:2022:2501
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens oneigenlijk gebruik in verblijfsrechtelijke procedure
Verzoeker, van Ghanese nationaliteit, had een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid die met terugwerkende kracht werd ingetrokken omdat zijn relatie met de referent was verbroken. Hij maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit werd ongegrond verklaard. Verzoeker stelde beroep in en vroeg gelijktijdig om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De voorzieningenrechter stelde vast dat verzoeker al het recht had om de beslissing op het beroep af te wachten en dat de voorlopige voorziening bedoeld is om uitzetting te voorkomen. Verzoeker gebruikte de voorlopige voorziening echter om aanspraak te maken op een bijstandsuitkering, nadat zijn eerdere verzoek om bijstand was afgewezen vanwege het ontbreken van een verblijfstitel.
De rechtbank oordeelde dat dit oneigenlijk gebruik van de voorlopige voorzieningenprocedure is, omdat het doel van de verblijfsrechtelijke voorlopige voorziening niet is om bijstand te verkrijgen. Daarom werd het verzoek afgewezen. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens oneigenlijk gebruik van de procedure.