ECLI:NL:RBDHA:2022:2508
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling Dublinclaim en procesbelang bij asielaanvraag zonder geldig visum
Eiser, een Iraakse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij met een Spaans Schengenvisum de EU was binnengekomen en via België naar Nederland reisde. Zijn visum was echter verlopen op het moment van de aanvraag. Verweerder stelde dat Spanje verantwoordelijk is voor de asielaanvraag op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening, maar de rechtbank concludeerde dat dit niet de juiste grondslag was vanwege het verlopen visum.
De rechtbank stelde vast dat eiser zich nog steeds op het EU-grondgebied bevond toen hij zijn asielaanvraag indiende, ondanks een uitreisstempel en zijn verblijf in de internationale lounge van Schiphol. Dit leidde tot de conclusie dat artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening een deugdelijke grondslag biedt voor de Dublinclaim.
Hoewel eiser zijn asielverzoek wilde intrekken, oordeelde de rechtbank dat hij procesbelang behield vanwege de opgelegde bewaringsmaatregel met Dublinindicatie. De rechtbank paste artikel 6:22 van Pro de Awb toe om het zorgvuldigheidsgebrek te passeren en handhaafde het bestreden besluit.
Ten slotte veroordeelde de rechtbank verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt gehandhaafd.