ECLI:NL:RBDHA:2022:251

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2022
Publicatiedatum
20 januari 2022
Zaaknummer
NL21.18253
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens vrijwillig vertrek uit Nederland bij asielaanvraag

Eiser, een Oekraïense nationaliteit, diende op 17 mei 2021 een verzoek in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, wees dit verzoek bij besluit van 22 november 2021 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

Tijdens de zitting op 13 januari 2022 verschenen noch eiser, noch zijn gemachtigde, noch verweerder. De rechtbank nam kennis van de vertrekverklaring van de International Organization for Migration (IOM), waaruit bleek dat eiser op 7 januari 2022 vrijwillig Nederland had verlaten en instemde met beëindiging van de openstaande procedure.

De rechtbank oordeelde dat eiser onder deze omstandigheden geen procesbelang meer had bij het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Gelet hierop verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang door vrijwillig vertrek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL21.18253
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

ProcesverloopBij besluit van 22 november 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL21.18254, op 13 januari 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde alsook verweerder zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [Geb. datum] 1985 en bezit de Oekraïne nationaliteit. Hij heeft op 17 mei 2021 een verzoek ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2. Uit de vertrekverklaring van IOM [2] blijkt dat eiser op 7 januari 2022 is vertrokken naar Kiev, Oekraïne. In de vertrekverklaring verklaart eiser dat hij Nederland vrijwillig verlaat en ermee instemt dat nog openstaande procedure voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling [3] van 6 december 2018 [4] overweegt de rechtbank dat eiser onder die omstandigheden geen procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep dat ziet op de afwijzing van zijn asielaanvraag.
3. Het beroep is gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2022 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid jo. artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.International Organization for Migration.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ABRvS 6 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4014.