ECLI:NL:RBDHA:2022:2657
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-inbehandelingname asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet in behandeling is genomen omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser voerde aan dat hij meer dan drie maanden aaneengesloten buiten de EU verbleef, waardoor Duitsland niet langer verantwoordelijk zou zijn, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Duitsland niet van toepassing is vanwege vermeende discriminatie.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd dat hij langer dan drie maanden aaneengesloten buiten de EU verbleef. De overgelegde documenten en verklaringen waren onvoldoende om dit te staven. Daarnaast is de stelling dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt onvoldoende onderbouwd; Duitsland garandeert de behandeling van het asielverzoek conform Europese normen.
Verder is vastgesteld dat Duitsland verantwoordelijk blijft voor de afhandeling van het asielverzoek en de eventuele terugkeer naar Marokko, ook al wenst eiser terug te keren naar zijn land van herkomst. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigen.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.