ECLI:NL:RBDHA:2022:2659
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland heeft Kroatië een verzoek tot overname gestuurd, dat is aanvaard.
Eiser betoogt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing kan zijn omdat hij in Kroatië niet de mogelijkheid had een asielprocedure te doorlopen, geen opvang ontving, acht uur in detentie zat zonder tolk en daardoor niet kon communiceren met de autoriteiten. Ook kon hij niet klagen over zijn detentie.
De rechtbank oordeelt echter dat verweerder terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat, zoals bevestigd in eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit in zijn situatie anders is. De detentie was niet onrechtmatig en de Kroatische autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zijn asielverzoek in behandeling wordt genomen met inachtneming van Europese richtlijnen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.