Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, was in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Na eerdere toetsing van de rechtmatigheid van de bewaring tot 9 februari 2022, stond nu alleen de rechtmatigheid van de voortzetting daarna ter beoordeling.
Eiser stelde dat de bewaringstermijn van zes weken, zoals bedoeld in de Dublinverordening, was overschreden. De rechtbank constateerde dat de bewaring op 17 februari 2022 al zeven weken en drie dagen duurde, wat onrechtmatig was. Tevens werd vastgesteld dat de rechtbank de termijn van artikel 96 Vw Pro voor het sluiten van het vooronderzoek had overschreden, wat in strijd was met artikel 5 EVRM Pro.
Verder bleek uit het dossier dat de overheid vanaf 11 februari 2022 geen overdrachtshandelingen meer had verricht, waardoor de bewaring vanaf 12 februari 2022 onrechtmatig voortduurde. De rechtbank kende daarom een schadevergoeding toe voor 21 dagen onrechtmatige bewaring, zijnde €2.100, en veroordeelde de Staat in de proceskosten van €759.
De uitspraak benadrukt het belang van voortvarendheid bij het sluiten van het onderzoek en het zorgvuldig uitvoeren van de overdrachtsprocedure, waarbij onnodige verlenging van vrijheidsbeneming niet is toegestaan.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de Staat tot betaling van €2.100 schadevergoeding en €759 proceskosten wegens onrechtmatige voortzetting van de bewaring.