ECLI:NL:RBDHA:2022:2767
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortzetting WIA-uitkering na wijziging arbeidsongeschiktheid
Eiser, voormalig fabrieksmedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan wegens gezondheidsklachten waaronder een klompvoet en rug- en heupklachten. Verweerder kende aanvankelijk een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 42,93%, maar wijzigde dit later naar 28,39%, waardoor de uitkering werd beëindigd. Eiser stelde dat zijn beperkingen ernstiger waren en dat de beoordeling onvoldoende rekening hield met zijn situatie, waaronder het gebruik van een scootmobiel en de fysieke inspanningen die daarmee gepaard gaan.
De rechtbank oordeelde dat het eerste bestreden besluit door het tweede was vervangen en verklaarde het beroep daarop niet-ontvankelijk. Het tweede besluit, waarbij de uitkering werd voortgezet op basis van een arbeidsongeschiktheid van 41,7%, werd inhoudelijk beoordeeld. De medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen waren zorgvuldig en volledig, waarbij alle klachten en beperkingen van eiser waren meegewogen. De rechtbank vond geen aanleiding om de medische beoordeling te herzien of een deskundige aan te wijzen.
De rechtbank concludeerde dat de functies die verweerder als passend had aangemerkt binnen de belastbaarheid van eiser vielen en dat de bezwaren van eiser onvoldoende waren onderbouwd. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard en de WIA-uitkering werd voortgezet.
Uitkomst: Het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard en de WIA-uitkering wordt voortgezet.