ECLI:NL:RBDHA:2022:2790

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2022
Publicatiedatum
29 maart 2022
Zaaknummer
NL22.3654
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Artikel 5.1b, derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 5.1b, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenzaak

Eiser, met Pakistaanse nationaliteit, werd op 3 maart 2022 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel werd op 7 maart 2022 opgeheven. Eiser stelde beroep in tegen de bewaring en verzocht tevens om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheid van de tenuitvoerlegging.

De rechtbank beoordeelde of de bewaring onrechtmatig was geweest voorafgaand aan de opheffing. De identiteit van eiser werd vastgesteld aan de hand van zijn verklaring en herkenning door een verbalisant. De rechtbank oordeelde dat de overige gronden voor bewaring, behalve één lichte grond die eiser betwistte, voldoende en juist waren gemotiveerd.

Eiser voerde aan dat de bewaring in strijd was met het evenredigheidsbeginsel omdat deze kort voor de uiterste overdrachtsdatum werd opgelegd. De rechtbank oordeelde dat overdracht aan Duitsland snel en eenvoudig kan plaatsvinden, waardoor bewaring noodzakelijk en proportioneel was.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.3654

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam2], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M.E. Disselkamp).

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 7 maart 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 16 maart 2022 ter zitting behandeld in Breda. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Pakistaanse nationaliteit te bezitten.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eisers schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelen van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eisers een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Staandehouding
3. Eiser voert aan dat onduidelijk is op welke wijze zijn identiteit is vastgesteld bij de staandehouding.
4. Uit het proces-verbaal van staandehouding van 3 maart 2022 blijkt dat aan eiser is gevraagd wat zijn volledige naam en geboortedatum is. Eiser heeft daarop geantwoord [naam2] te heten en te zijn geboren op [geboortedatum]. Verder heeft de verbalisant eiser herkend van de foto uit de aan hem verstrekte infoset van de Dienst Terugkeer en Vertrek. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Maatregel van bewaring
5. In de maatregel van bewaring staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [1] en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden [2] staat in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
  • 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
  • 3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek.
En als lichte gronden [3] staat in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. Eiser betwist uitsluitend de lichte grond 4d. De rechtbank stelt vast dat eiser de overige gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Deze laatste gronden zijn feitelijk juist en in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd. Nu reeds deze gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen, kan de beroepsgrond geen doel treffen en hoeft de vraag of grond 4d terecht is tegengeworpen niet beantwoord te worden.
Evenredigheidsbeginsel
7. Tot slot voert eiser aan dat de maatregel van bewaring in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat deze kort voor de uiterste overdrachtsdatum, namelijk 7 maart 2022, is opgelegd. Eiser ziet niet in dat hij in zo’n korte periode kan worden overgedragen aan Duitsland.
8. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel van bewaring niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank is ambtshalve bekend met het feit dat een overdracht aan een land dat grenst aan Nederland, zoals Duitsland, op een relatief eenvoudige wijze tot stand kan komen. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting meegedeeld dat de overdracht aan Duitsland per auto of bus in de grensstreek van Nederland plaatsvindt. Dit betekent dat de inbewaringstelling van eiser noodzakelijk was om de overdracht van eiser op korte termijn te effecturen en dat dit feitelijk ook mogelijk was. Om die reden slaagt deze beroepsgrond niet.
Conclusie
9. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. De tenuitvoerlegging ervan is niet op enig moment voorafgaande aan de opheffing ervan onrechtmatig geweest. Daarom wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.