ECLI:NL:RBDHA:2022:2920
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding en twijfel aan tijdige terugkeer
Eiseres, met de Filipijnse nationaliteit, verzocht om een visum voor kort verblijf om haar partner in Nederland te bezoeken. De aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat het voornemen van eiseres om Nederland tijdig te verlaten niet kon worden vastgesteld. Ook werden tijdelijke reisbeperkingen vanwege de coronapandemie in acht genomen.
Eiseres betoogde dat zij geen gevaar voor de volksgezondheid vormde, gevaccineerd was, en voldoende sociale en economische binding met de Filipijnen had, waaronder familie en toegang tot bankrekeningen van haar partner. Zij stelde dat er onvoldoende naar haar persoonlijke omstandigheden was gekeken en dat zij gehoord had moeten worden in bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat verweerder een ruime beoordelingsruimte heeft en dat eiseres onvoldoende sociale binding heeft met het land van herkomst, mede omdat zij jong, ongehuwd is en geen eigen gezin heeft. Ook de economische binding werd onvoldoende geacht, aangezien eiseres afhankelijk is van haar partner voor inkomen en onderdak. Daarom was er redelijke twijfel over haar terugkeer.
De rechtbank vond dat verweerder terecht van het horen kon afzien omdat het bezwaar geen nieuwe inzichten bood. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende binding en twijfel aan tijdige terugkeer.