ECLI:NL:RBDHA:2022:2922
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens niet voldoen aan middelen- en inburgeringsvereiste
Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende man, is in 1992 ongewenst verklaard en verzoekt sinds 2020 om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn partner en twee minderjarige dochters in Nederland te kunnen verblijven. De aanvraag is afgewezen omdat hij niet voldoet aan het middelen- en inburgeringsvereiste, en deze afwijzing is gehandhaafd na bezwaar.
In het beroep stelt eiser dat de weigering in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en dat hij voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez, vanwege zijn zorg- en opvoedtaken en afhankelijkheidsverhouding met zijn dochters. De rechtbank overweegt dat verweerder de belangenafweging zorgvuldig heeft gemaakt en dat er geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Algerije voort te zetten.
De rechtbank concludeert dat eiser slechts marginale zorg- en opvoedtaken verricht en dat het zwaartepunt bij de moeder ligt. De omstandigheden en bewijsstukken leiden niet tot een andere beoordeling. Ook is het beroep op eerdere jurisprudentie niet toereikend onderbouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en verweerder mocht terecht afzien van een hoorzitting. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.