Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2022 in de zaak tussen
[eisers] e.a., uit [woonplaats] , eisers
de burgemeester van Den Haag, verweerder
[derde-partij 1] B.V., [derde-partij 2] B.V. en [derde-partij 3],
Rechtbank Den Haag
De burgemeester van Den Haag heeft nachtontheffingen verleend aan twee partycentra voor de uren tot 05:00 uur op vrijdag, zaterdag en zondag met een geldigheidsduur van tien jaar. Omwonenden, waaronder eisers, maakten bezwaar tegen deze besluiten en stelden dat de verlening onrechtmatig was vanwege het niet volgen van het advies van de bezwaarcommissie, het ontbreken van een wettelijke grondslag, onzorgvuldigheid in de besluitvorming en overschrijding van de beslistermijn.
De rechtbank oordeelt dat de burgemeester het advies van de commissie, dat zich beperkte tot een andere wettelijke grondslag, juist heeft opgevolgd door de ontheffingen te baseren op artikel 2:29, derde lid, aanhef en onder b, van de APV. Uit onderzoek van politie en Omgevingsdienst Haaglanden blijkt dat er weliswaar enkele meldingen van overlast zijn geweest, maar deze zijn beperkt en vaak zonder incidenten bij politieaankomst. Het aantal meldingen over een periode van vijf jaar acht de rechtbank niet onredelijk.
De rechtbank stelt vast dat de burgemeester voldoende onderzoek heeft gedaan, ook gezien de beperkingen door de COVID-19-pandemie, en dat de mogelijkheid bestaat om de ontheffingen in te trekken bij nadelige effecten. Klachten van eisers over onjuiste registratie zijn onvoldoende onderbouwd. Hoewel het besluit niet binnen de wettelijke termijn is genomen, leidt dit niet tot vernietiging. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de verlening van nachtontheffingen is ongegrond verklaard en de ontheffingen blijven van kracht.