ECLI:NL:RBDHA:2022:2983
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken gronden
Verzoeker diende een verzoek om voorlopige voorziening in tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De rechtbank stelde vast dat het verzoekschrift geen gronden bevatte, wat een vereiste is op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Verzoeker werd bij brief van 3 februari 2022 in de gelegenheid gesteld om het ontbreken van gronden binnen twee weken te herstellen, met de waarschuwing dat het verzoek anders niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Na een herinnering op 21 februari 2022 heeft verzoeker geen gronden ingediend. De rechtbank oordeelde dat dit niet aan verzoeker is toe te rekenen en dat daarom niet is voldaan aan artikel 6:5 Awb Pro.
Op basis hiervan verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van gronden.