ECLI:NL:RBDHA:2022:3061

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2022
Publicatiedatum
5 april 2022
Zaaknummer
NL22.803
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMVluchtelingenverdrag
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid vrees voor ELN en andere strijders in Colombia

Eiser, een Colombiaanse asielzoeker, vordert bescherming tegen terugkeer vanwege vermeende bedreigingen door het Nationaal Bevrijdingsleger (ELN) en een andere strijdersgroep. Hij stelt dat hij zonder toestemming van ELN in Tibu verbleef en daardoor problemen kreeg, en dat hij ook in een ander deel van Colombia bedreigd wordt. De staatssecretaris wees het asielverzoek af wegens onvoldoende bewijs van een concrete dreiging.

De rechtbank oordeelt dat de verklaring van eiser onvoldoende concreet en geloofwaardig is. Het vermoeden dat ELN op zoek zou zijn naar eiser is gebaseerd op een enkele verklaring van een derde, zonder verdere onderbouwing. Bovendien heeft eiser zes dagen in Tibu kunnen werken zonder problemen. De tegenstrijdigheden in zijn verklaringen over de reden van de dreiging ondermijnen zijn geloofwaardigheid.

Ook de vermeende problemen met de andere strijdersgroep in 2021 acht de rechtbank ongeloofwaardig, mede omdat eiser sinds 2016 geen concrete bedreigingen heeft ondervonden. Daarnaast is er een vestigingsalternatief in Colombia, waardoor terugkeer niet onaanvaardbaar is.

Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.803

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.P. de Boo).

ProcesverloopBij besluit van 10 januari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2022. Eiser was aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw A.M van den Berg-Balio. Verweerder is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser, geboren op [geboortedag] 1992 en afkomstig uit Colombia, zegt dat hij werkte voor het oliebedrijf [bedrijfsnaam] en voor zijn werk naar Tibu moest om onderhoud te verrichten. Eiser heeft zonder toestemming van ELN (het Colombiaanse Nationaal Bevrijdingsleger) in Tibu verbleven. Daardoor heeft hij problemen gekregen met ELN. Daarnaast heeft eiser in een ander deel van Colombia problemen met een andere groep strijders, de [groepering] . Door deze problemen heeft eiser geen vestigingsalternatief en kan eiser niet terugkeren naar Colombia. Verweerder gelooft eiser niet.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
2. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. In de kern betoogt eiser dat verweerder te weinig waarde hecht aan zijn verklaringen. Op basis van de feiten die niet in geschil zijn, moet het relaas van eiser voldoende zwaarwegend worden geacht. Op wat eiser heeft aangevoerd, gaat de rechtbank hierna verder in.
3. Verweerder handhaaft zijn standpunt en betoogt dat eiser onvoldoende duidelijk heeft gemaakt wie van ELN naar hem op zoek was en om welke reden. Eiser is alleen op basis van de enkele verklaring van [A] , een arme vrouw in Tibu aan wie eiser eten gaf, ervanuit gegaan dat ELN naar hem op zoek is. Ook heeft eiser vaag verklaard over het bezoek van leden van ELN aan zijn huis en de reden waarom hij is teruggekeerd naar Santa Marta.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Problemen met ELN4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk heeft te vrezen voor ELN. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen vinden dat het vermoeden dat ELN op zoek zou zijn naar eiser enkel is gebaseerd op de verklaring van [A] en dat onduidelijk is waar deze verklaring op is gebaseerd, behalve dat familieleden van haar ook gerekruteerd zijn. Dit heeft verweerder onvoldoende concreet kunnen vinden om aannemelijk te achten dat ELN daadwerkelijk op zoek was of is naar eiser. Daar heeft verweerder verder bij kunnen betrekken dat eiser zes dagen in Tibu heeft kunnen werken zonder problemen te ondervinden van ELN of zelf gemerkt te hebben dat ELN naar hem op zoek was. Ook zijn de verklaringen van eiser om welke reden ELN naar hem op zoek zou zijn tegenstrijdig aan elkaar. Eerst heeft eiser verklaard dat ELN hem zocht omdat ze dachten dat hij een informant was voor justitie, terwijl eiser later heeft verklaard dat ze hem zochten omdat hij in dienst was geweest en ze toestemming hadden om hem te rekruteren. Eiser heeft hiermee niet concreet weten te maken waarom hij gezocht werd door ELN. De verklaring van eiser over het bezoek van ELN aan zijn huis in [plaats buitenland] heeft verweerder niet tot een ander oordeel hoeven brengen. Verweerder heeft het daarbij van belang kunnen vinden dat eiser niet weet wie zijn huis heeft bezocht en dat het enkel zijn vermoeden is dat dit leden van ELN zijn geweest. Het enkele feit dat het verhaal van eiser in het algemeen past binnen de landeninformatie, leidt niet tot een ander oordeel. Daarvoor is het relaas onvoldoende concreet.
Problemen met [groepering] in 2021
5. De problemen met [groepering] in 2021 heeft verweerder onaannemelijk geacht. De rechtbank volgt verweerder hierin. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat eiser in 2016 al eens is lastiggevallen door [groepering] , dat eiser om die reden toen in dienst is gegaan maar vervolgens, tot aan heden, persoonlijk nooit (meer) iets van [groepering] heeft vernomen. Eiser heeft ook anderszins niet aannemelijk kunnen maken dat de groep nu actief naar hem op zoek zou zijn. Om die reden heeft verweerder kunnen stellen dat er geen actieve en concrete dreiging van de groep uitgaat en dat eiser in dit kader heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingverdrag of artikel 3 van Pro het EVRM. [1] Daarnaast bestaat er een vestigingsalternatief voor eiser in Colombia. Dat dat geen mogelijkheid is vanwege de vrees voor ELN volgt de rechtbank niet, nu verweerder de problemen met de ELN ongeloofwaardig heeft mogen achten.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Er is geen reden om de proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.E.J. Valk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.