ECLI:NL:RBDHA:2022:3070
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking Nederlanderschap wegens terroristisch misdrijf
Verzoeker, die zowel de Nederlandse als Marokkaanse nationaliteit bezit, is onherroepelijk veroordeeld tot zeven jaar en zeven maanden gevangenisstraf wegens het voorbereiden van een terroristische aanslag en andere strafbare feiten. Verweerder heeft daarop het Nederlanderschap van verzoeker ingetrokken op grond van artikel 14, tweede lid, onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening die de intrekking opschort tot vier weken na de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek beoordeeld aan de hand van een belangenafweging, waarbij het belang van verzoeker bij schorsing werd afgezet tegen het belang van verweerder bij onmiddellijke uitvoering.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het belang van verweerder zwaarder weegt, omdat de wetgever expliciet intrekking van het Nederlanderschap toestaat bij veroordeling wegens terroristische misdrijven en de band tussen verzoeker en Nederland daardoor niet langer kan voortbestaan. Verzoekers persoonlijke omstandigheden en belangen, waaronder het contact met zijn zoontje en de mogelijkheid tot voorwaardelijke invrijheidstelling, wegen onvoldoende zwaar om schorsing te rechtvaardigen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat de intrekking niet leidt tot een langere detentie dan de opgelegde straf en dat het herstel van contact met het kind na detentie zal worden onderzocht door de Raad voor de Kinderbescherming. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om schorsing van de intrekking van het Nederlanderschap wordt afgewezen.