Uitspraak
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van29 maart 2022 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: G. Gieben),
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
Zitting
Beslissing
Overwegingen
23 augustus 2018 voor € 735.000) en [object 3] [huisnummer 4] (verkocht op 12 december 2018 voor
€ 837.000). Verweerder heeft deze verkoopcijfers geïndexeerd naar de waardepeildatum. De vergelijkingsobjecten zijn - net zoals de woning - tussenwoningen die zijn aangemerkt als rijksmonument en gebouwd zijn in respectievelijk 1650, 1650 en 1750. De uit de verkoopprijzen herleide m²-prijzen, voor zover nodig gecorrigeerd naar dezelfde oppervlakte, onderhoudstoestand en kwaliteit als die van de woning, bedragen € 3.100 ( [object 1] [huisnummer 2] ), € 2.763 ( [object 2] [huisnummer 3] ) en € 2.418 ( [object 3] [huisnummer 4] ). Bij de waardebepaling heeft verweerder voor de woningoppervlakte een m²-prijs van € 1.551 gehanteerd. Dit is aanzienlijk lager dan de gemiddelde m²-prijs die volgt uit de verkoopcijfers van de drie vergelijkingsobjecten (€ 2.760). Indien verweerder zou zijn uitgegaan van deze gemiddelde m²-prijs zou de waarde van woning € 912.539 zijn geweest in plaats van € 576.000. Met de matrix en hetgeen overigens door verweerder is aangevoerd, maakt verweerder aannemelijk dat bij de herleiding van de aan de woning toegekende waarde uit de bij de verkoop van de in de matrix genoemde vergelijkingsobjecten behaalde verkoopprijzen, in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning. Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat de vastgestelde waarde in verhouding tot de (geïndexeerde) verkoopprijzen van de vergelijkingsobjecten te hoog is vastgesteld.
mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2022.