ECLI:NL:RBDHA:2022:3132
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onjuiste vertrektermijn vreemdeling in strijd met Verblijfsrichtlijn
Eiser, een Poolse staatsburger, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd waarbij hij Nederland binnen vier weken moest verlaten. Hij betwistte de rechtmatigheid van deze vertrektermijn en stelde dat deze strijdig is met artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn, die een termijn van minimaal dertig dagen voorschrijft.
De rechtbank oordeelde dat de Nederlandse regeling die een termijn van vier weken voorschrijft niet correct implementeert de Verblijfsrichtlijn, omdat een maand volgens EU-regelgeving uit dertig dagen bestaat. Aangezien er geen sprake was van een dringend geval, had eiser een vertrektermijn van dertig dagen moeten krijgen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit voor zover het de vier weken vertrektermijn bepaalde en stelde zelf de vertrektermijn op dertig dagen vast. Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De rechtbank stelt de vertrektermijn vast op dertig dagen en vernietigt het bestreden besluit voor zover het de termijn van vier weken bepaalt.