ECLI:NL:RBDHA:2022:3188
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot zorgmachtiging wegens onvoldoende bewijs psychische stoornis
De officier van justitie verzocht om een zorgmachtiging voor betrokkene op grond van artikel 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Betrokkene verbleef in een zorgaccommodatie en werd bijgestaan door een advocaat. Diverse medische documenten, waaronder een verklaring van een psychiater en een zorgplan, werden overgelegd.
Tijdens de mondelinge behandeling op 31 maart 2022 werden betrokkene, een psychiater en een verpleegkundige gehoord. Betrokkene gaf aan zich thuis goed te kunnen redden en sprak zich uit tegen het verblijf in de accommodatie. De psychiater gaf aan dat diagnostiek nog niet was afgerond en dat onduidelijkheid bestond over de aard van de psychische stoornis, mogelijk ook een dementieel beeld. De verpleegkundige meldde dat betrokkene rustig was en medicatie met lichte drang innam.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende was vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis die gevaarlijk gedrag veroorzaakt, zoals vereist voor een zorgmachtiging. Ook was er twijfel over de mate van verzet van betrokkene en waren er minder ingrijpende alternatieven beschikbaar, zoals thuiszorg of vrijwillige overplaatsing.
Daarom werd het verzoek tot zorgmachtiging afgewezen. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: Het verzoek tot zorgmachtiging wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een psychische stoornis die gevaarlijk gedrag veroorzaakt.