ECLI:NL:RBDHA:2022:3277
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vervangende toestemming voor deelname minderjarige aan Rijksvaccinatieprogramma
De zaak betreft een verzoek van Stichting Jeugdbescherming West Zuid-Holland om vervangende toestemming te verkrijgen voor het vaccineren van een minderjarige die onder toezicht staat en in een pleeggezin verblijft. De moeder weigert toestemming te verlenen voor vaccinaties binnen het Rijksvaccinatieprogramma, niet op principiële gronden, maar vanwege emotionele bezwaren en het feit dat zij niet bij de vaccinaties aanwezig kan zijn.
De kinderrechter overweegt dat het Rijksvaccinatieprogramma gericht is op het voorkomen van ernstige infectieziekten die een ernstig gevaar voor de gezondheid van het kind vormen. Gezien het ontbreken van principiële bezwaren en het belang van het kind om beschermd te zijn tegen deze ziekten, weegt het belang van het kind zwaarder dan dat van de moeder.
De kinderrechter wijst het verzoek tot gedeeltelijke gezagsuitoefening op grond van artikel 1:265e BW af, maar verleent op grond van artikel 1:265h BW vervangende toestemming aan de gecertificeerde instelling voor de medische behandeling, namelijk deelname aan het Rijksvaccinatieprogramma. De beslissing wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het onomkeerbare karakter van vaccinaties.
Uitkomst: De kinderrechter verleent vervangende toestemming aan de gecertificeerde instelling voor vaccinatie van de minderjarige volgens het Rijksvaccinatieprogramma.