ECLI:NL:RBDHA:2022:3299

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 april 2022
Publicatiedatum
11 april 2022
Zaaknummer
C-09-626396-KG ZA 22-237
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 30p Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling wegens ontbrekende wettelijke grondslag voor verrekening voorlopige hechtenis

Eiser is in een eerdere strafzaak veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, waarbij hij 3 dagen in verzekering en 14 dagen in bewaring heeft doorgebracht. Na schorsing van de voorlopige hechtenis en het niet naleven van voorwaarden, werd hij opnieuw in hechtenis genomen voor 46 dagen. Later sprak het gerechtshof hem vrij voor één feit en veroordeelde hem tot 14 dagen gevangenisstraf voor het andere.

Eiser zit momenteel vast vanwege een andere strafzaak en vordert onmiddellijke invrijheidsstelling omdat hij meent dat de 46 dagen teveel doorgebrachte voorlopige hechtenis in mindering moeten worden gebracht op zijn huidige straf. De Staat verzet zich hiertegen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de tijd die eiser te lang in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht reeds is verrekend met de opgelegde straf in de eerdere zaak. Het resterende 'overschot' kan niet door de Staat of civiele rechter worden verrekend met een andere straf, omdat deze bevoegdheid exclusief bij de strafrechter ligt en alleen met een wettelijke grondslag kan plaatsvinden. Het beroep op redelijkheid en billijkheid en toekomstige wetgeving faalt. Daarom wordt de vordering afgewezen en worden de proceskosten aan eiser opgelegd.

Uitkomst: De vordering tot onmiddellijke invrijheidsstelling wordt afgewezen wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag voor verrekening van teveel doorgebrachte voorlopige hechtenis met een andere straf.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer:
C/09/626396 / KG ZA 22/237
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding ter zitting van 4 april 2022
in de zaak van
[eiser]te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. J. Ruijs te Amsterdam,
tegen:
de Staat der Nederlanden(het Ministerie van Justitie en Veiligheid) te Den Haag,
gedaagde,
advocaat mr. T.J. Crom te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.
Aanwezig is mr. H.J. Vetter, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. H.A. van Dijk-Verheij, griffier.
Tevens zijn aanwezig eiser, vergezeld van mr. Ruijs, en mr. Crom.
Nadat partijen hun standpunten hebben toegelicht, over en weer hebben gereageerd op de standpunten van de wederpartij en vragen van de voorzieningenrechter hebben beantwoord, heeft de voorzieningenrechter de zitting voor korte tijd geschorst. Na hervatting van de zitting heeft de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) mondeling uitspraak gedaan. Deze luidt als volgt.

1.De gronden van de beslissing

1.1.
De rechtbank Limburg heeft eiser bij vonnis van 20 september 2019 voor twee feiten veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Eiser heeft in deze strafzaak 3 dagen in verzekering en 14 dagen in bewaring doorgebracht, waarna zijn voorlopige hechtenis is geschorst onder voorwaarden. Omdat eiser de schorsingsvoorwaarden niet heeft nageleefd, is hij opnieuw in hechtenis genomen, ditmaal voor de duur van 46 dagen. Bij arrest van 31 maart 2021 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch eiser vrijgesproken voor een feit en hem voor het andere feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen. Eiser zit momenteel in detentie als gevolg van een gevangenisstraf die aan hem is opgelegd in een andere strafzaak.
1.2.
Eiser vordert in deze procedure dat hij onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld omdat de tijd van 46 dagen die hij te lang in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering moet worden gebracht op de straf die hij nu nog moet ondergaan. De Staat voert verweer tegen het gevorderde.
1.3.
Het gevorderde komt niet voor toewijzing in aanmerking. Eiser heeft op basis van rechterlijke oordelen enige tijd in voorlopige hechtenis gezeten. Het hof heeft een aanzienlijk lagere straf aan eiser opgelegd dan de rechtbank, waarna de tijd die eiser in vervangende hechtenis heeft doorgebracht in mindering is gebracht op de opgelegde vrijheidsstraf, zoals bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafrecht. In dit geval is na die verrekening een “overschot” overgebleven, maar de Staat heeft de plicht om beslissingen van de strafrechter ten uitvoer te leggen. De Staat heeft niet de bevoegdheid om het overschot eigenhandig te verrekenen met een in een
anderezaak opgelegde vrijheidsstraf – zoals eiser vordert – en ook de civiele rechter heeft die bevoegdheid niet. Die bevoegdheid is exclusief voorbehouden aan de strafrechter en bestaat bovendien slechts als er een wettelijke grondslag is om tot verrekening over te gaan. Een dergelijke wettelijke grondslag is er in deze zaak niet en het beroep van eiser op de redelijkheid en billijkheid kan hem binnen het strafrechtsysteem niet baten. Eiser heeft nog verwezen naar toekomstige wetgeving, maar dat is geen geldend recht en er bestaat geen aanleiding daarop vooruit te lopen.

2.De beslissing

De voorzieningenrechter:
2.1.
wijst het gevorderde af;
2.2.
veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.692,--, waarvan € 1016,-- aan salaris advocaat en € 676,-- aan griffierecht;
2.3.
verklaart dit deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
WAARVAN PROCES-VERBAAL,
…………………………………. …………………………………
mr. H.A. van Dijk-Verheij mr. H.J. Vetter