Eiseres ontving studiefinanciering en kreeg later bericht dat zij voor bepaalde periodes geen recht meer had vanwege niet-inschrijving. Diverse betalingsverzoeken en een ov-boete werden opgelegd. Eiseres diende bezwaar in, dat door verweerder niet-ontvankelijk werd verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen de herzieningsbeschikking en ov-boete terecht niet-ontvankelijk is verklaard, omdat deze te laat zijn ingediend en de termijnoverschrijding eiseres kan worden toegerekend. Betalingsverzoeken zijn geen besluiten in de zin van de Awb, zodat bezwaar daartegen niet ontvankelijk is.
Echter, het bezwaar tegen de beschikking van 30 december 2020 is wel tijdig ingediend. Verweerder heeft ten onrechte niet op dit bezwaar beslist. De rechtbank verklaart dit deel van het beroep gegrond, vernietigt de beslissing op bezwaar voor zover deze niet op dit bezwaar besliste en draagt verweerder op alsnog te beslissen.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres en draagt verweerder op het betaalde griffierecht te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter E. Kouwenhoven op 4 april 2022.