ECLI:NL:RBDHA:2022:3424

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 april 2022
Publicatiedatum
14 april 2022
Zaaknummer
AWB 21/5611
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 9 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-tijdige betaling griffierecht bij vreemdelingenrecht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin het bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een document op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 werd verworpen.

De rechtbank heeft eiser meerdere malen in de gelegenheid gesteld het griffierecht van €181,- te betalen of een onderbouwd beroep op betalingsonmacht in te dienen. Eiser heeft een verzoek tot ontheffing gedaan, maar dit was niet correct ondertekend. Ondanks een tweede kans om dit te corrigeren, werd het formulier opnieuw niet ondertekend.

Na een herinnering per aangetekende brief betaalde eiser het griffierecht pas na de gestelde termijn zonder geldige reden. Hierdoor is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 21/5611

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser,

v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. A. Orhan)
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw [1] ongegrond verklaard.
Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. Voor eiser is het griffierecht vastgesteld op € 181,-.
2. Bij brief van 1 oktober 2021 is eiser in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen vier weken te betalen, dan wel binnen die termijn een onderbouwd beroep op betalingsonmacht te doen. Daarbij is hij tevens gewezen op de mogelijkheid dat zijn beroep anders niet-ontvankelijk verklaard kan worden
3. Op 6 oktober 2021 heeft eiser verzocht om ontheffing van de betaling van het griffiegeld vanwege betalingsonmacht. Eiser heeft gesteld niet in staat te zijn om het griffierecht te voldoen. Eiser heeft het formulier ter onderbouwing hiervan niet zelf ondertekend. De rechtbank heeft daarom eiser bij brief van 8 oktober 2021 in de gelegenheid gesteld om met een nieuw formulier zijn financiële situatie te onderbouwen. Dit formulier is op 13 oktober 2021 retour aan de rechtbank toegestuurd maar het formulier is opnieuw niet ondertekend door eiser. De rechtbank heeft hierover contact opgenomen met de gemachtigde van eiser.
4. Omdat eiser het griffierecht binnen voornoemde termijn niet heeft betaald noch een op juiste wijze onderbouwd beroep op betalingsonmacht heeft gedaan, is op 30 oktober 2021 aan eiser een herinnering per aangetekende brief verstuurd. Eiser is daarbij opnieuw in de gelegenheid gesteld om het griffierecht binnen vier weken te betalen dan wel binnen die termijn een onderbouwd beroep op betalingsonmacht te doen. Eiser is nogmaals gewezen op de mogelijkheid dat zijn beroep anders niet-ontvankelijk verklaard wordt.
5. Eiser heeft op 1 december 2021 het griffierecht betaald. Eiser heeft daarmee het griffierecht niet tijdig betaald nu de termijn daarvoor op 28 november 2021 is verstreken. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
6. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, op 7 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
de griffier is buiten staat deze uitspraak
mee te ondertekenen
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan
binnenzes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.