De rechtbank Den Haag behandelde een vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 37.800,- van de veroordeelde, die was veroordeeld voor mensenhandel. Deze vordering werd inhoudelijk behandeld op 11 april 2022, waarbij de veroordeelde niet aanwezig was, maar zijn raadsman wel.
De officier van justitie stelde dat het bedrag waarop ontneming werd gevorderd, reeds onherroepelijk was toegewezen aan de benadeelde partij via een schadevergoedingsmaatregel opgelegd door het gerechtshof Den Haag in 2019. De verdediging ondersteunde dit standpunt en gaf aan dat de veroordeelde al is begonnen met het afbetalen van deze maatregel.
De rechtbank nam het arrest van het hof van 20 september 2019 als uitgangspunt, waarin een bedrag van € 27.035,- aan materiële schade was toegewezen aan de benadeelde partij. Omdat dit bedrag volledig in mindering komt op het vermeende wederrechtelijk verkregen voordeel, resteert er volgens de rechtbank geen voordeel meer om te ontnemen.
Op grond van artikel 36e lid 8 Sr werd het wederrechtelijk verkregen voordeel daarom vastgesteld op nihil en werd de vordering van het Openbaar Ministerie afgewezen. De rechtbank legde geen betalingsverplichting op aan de veroordeelde.