ECLI:NL:RBDHA:2022:3738

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 april 2022
Publicatiedatum
22 april 2022
Zaaknummer
NL22.6238
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel bewaring en schadevergoeding na weigering coronatest

De zaak betreft een beroep van een Eritrese vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De maatregel was opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en later opgeheven op 12 april 2022.

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De beoordeling richt zich daarom op de rechtmatigheid van de bewaring na dat moment. Eiser stelde dat de maatregel te lang duurde omdat de bewaring niet al op 10 april werd opgeheven, terwijl toen al duidelijk was dat overdracht niet tijdig mogelijk was.

De rechtbank oordeelt dat verweerder niet onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De weigering van de coronatest op 10 april leidde tot annulering van de overdracht op 11 april. De maatregel werd op 12 april opgeheven na belangenafweging. De rechtbank acht de tijd die verweerder nam om te overwegen of een nieuwe overdrachtspoging mogelijk was niet onredelijk.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL22.6238

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 15 maart 2022 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 12 april 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en op 15 april 2022 het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 30 maart 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:3040, volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door niet al op 10 april 2022 de maatregel van bewaring op te heffen. Volgens eiser was het op dat moment namelijk al duidelijk dat het niet meer zou lukken om hem tijdig over te dragen. Eiser heeft daarom twee dagen te lang in bewaring doorgebracht.
5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Volgens de voortgangsgegevens in het dossier heeft eiser op 10 april 2022 een coronatest geweigerd, heeft verweerder op 11 april 2022 bericht van deze weigering ontvangen en de overdracht geannuleerd, en is op 12 april 2022 na een belangenafweging de maatregel van bewaring opgeheven. Uit deze gang van zaken blijkt niet dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Mede gelet op de medewerkingsplicht van de vreemdeling brengt het enkele weigeren van een coronatest niet met zich dat een maatregel van bewaring onmiddellijk moet worden opgeheven. In een dergelijke situatie moet aan verweerder bovendien enige tijd worden gegund om zich te beraden op de vraag of hij al dan niet opnieuw een poging wil ondernemen om alsnog een overdracht van de vreemdeling te bewerkstellingen. De tijd die verweerder kennelijk heeft genomen om dit in deze zaak te overwegen, is niet onredelijk lang.
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond;
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Anker, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.