ECLI:NL:RBDHA:2022:3738
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel bewaring en schadevergoeding na weigering coronatest
De zaak betreft een beroep van een Eritrese vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De maatregel was opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en later opgeheven op 12 april 2022.
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De beoordeling richt zich daarom op de rechtmatigheid van de bewaring na dat moment. Eiser stelde dat de maatregel te lang duurde omdat de bewaring niet al op 10 april werd opgeheven, terwijl toen al duidelijk was dat overdracht niet tijdig mogelijk was.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De weigering van de coronatest op 10 april leidde tot annulering van de overdracht op 11 april. De maatregel werd op 12 april opgeheven na belangenafweging. De rechtbank acht de tijd die verweerder nam om te overwegen of een nieuwe overdrachtspoging mogelijk was niet onredelijk.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.