ECLI:NL:RBDHA:2022:3792

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 maart 2022
Publicatiedatum
25 april 2022
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6633
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 8:47 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek benoeming deskundige bij uitstel van vertrek wegens gezondheid

Eiseres, een minderjarige met de Ghanese nationaliteit, verzocht om uitstel van vertrek uit Nederland vanwege haar gezondheidsproblemen, waaronder sikkelcelziekte zonder miltfunctie. De staatssecretaris wees dit verzoek af op basis van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA), dat stelde dat eiseres onder voorwaarden kon reizen en dat noodzakelijke medische zorg beschikbaar was in Ghana.

Eiseres stelde in beroep dat zij in een ongelijke bewijspositie verkeerde omdat zij geen contra-expertise kon betalen en vroeg de rechtbank om een onafhankelijke deskundige te benoemen. Zij verwees naar het arrest Korošec van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en betoogde dat het beginsel van equality of arms was geschonden.

De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende gelegenheid had gehad om weerwoord te bieden aan het BMA-advies, onder meer door het overleggen van WHO-rapporten, hoewel deze niet specifiek en actueel genoeg waren om twijfel te zaaien over het advies. Eiseres had ook de mogelijkheid om met medische stukken van haar behandelaar twijfel te creëren, maar had dit nagelaten.

Daarom zag de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen ter compensatie van de bewijsnood. Het beroep werd ongegrond verklaard en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot benoeming van een deskundige wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/6633

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Kowsari).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om haar uitstel van vertrek te verlenen vanwege haar gezondheidstoestand afgewezen.
Bij besluit van 25 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2022. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2016 en bezit de Ghanese nationaliteit. Zij verblijft met haar moeder in Nederland. Op 19 maart 2020 is namens haar een aanvraag ingediend voor uitstel van vertrek om gezondheidsredenen. [1] Eiseres staat onder medische behandeling voor sikkelcelziekte zonder miltfunctie.
2. Verweerder heeft met het primaire besluit de aanvraag van eiseres afgewezen onder verwijzing van een advies van het BMA [2] van 29 mei 2020. Uit dit advies volgt dat eiseres, onder voorwaarden, in staat is te reizen. Ook blijkt uit het advies dat medische behandeling noodzakelijk is ter voorkoming van een medische noodsituatie, maar dat deze noodzakelijke medische zorg aanwezig is in Ghana. Verweerder stelt in het primaire besluit dat niet gebleken is dat de behandeling financieel of vanwege de reistijd ontoegankelijk is voor eiseres. Zo heeft eiseres de kosten van de behandeling niet aannemelijk gemaakt en daarmee ook niet dat zij de kosten niet kan opbrengen, eventueel met hulp van haar netwerk. Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag in bezwaar met het bestreden besluit gehandhaafd door de bezwaren van eiseres ongegrond te verklaren.
Wat voert eiseres aan in beroep?
3. Eiseres verzoekt de rechtbank om een medisch deskundige te benoemen [3] en doet daarbij een beroep op het arrest Korošec van het EHRM. [4] Zij stelt ten opzichte van verweerder in een ongelijke bewijspositie te verkeren. Verweerder maakt namelijk gebruik van het BMA, maar deze is volgens eiseres niet onpartijdig en zijzelf kan geen contra-expertise betalen. Nu er redelijke twijfel bestaat over de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de noodzakelijke medische zorg, ligt het op de weg van de rechtbank om deze ongelijke bewijspositie te compenseren door een deskundige te benoemen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De hoogste bestuursrechter leidt uit het arrest Korošec af dat een advies van een deskundige zorgvuldig tot stand moet zijn gekomen en inzichtelijk moet zijn. [5] Daarnaast volgt uit dit arrest dat het beginsel van equality of arms met zich meebrengt dat tussen partijen evenwicht moet bestaan met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen om de bestuursrechter in staat te stellen een onafhankelijk en onpartijdig oordeel te geven. Als een vreemdeling stukken overlegt, moet de bestuursrechter beoordelen of deze stukken een redelijke mogelijkheid voor die vreemdeling vormen om hem van zijn standpunt te overtuigen. Is dit niet het geval of als het een vreemdeling in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen geen nadere stukken ter onderbouwing van zijn beroep te hebben ingediend dan ligt het op de weg van de bestuursrechter aan een vreemdeling zo nodig compensatie voor deze bewijsnood te bieden, bijvoorbeeld in de vorm van de benoeming van een onafhankelijke deskundige. Als de bestuursrechter niet ingaat op een verzoek om een deskundige te benoemen, teneinde de vreemdeling compensatie te bieden voor de gestelde bewijsnood, zal die afwijzing gemotiveerd moeten worden. Daarbij is in dit kader niet zozeer beslissend de vraag of de bestuursrechter in de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het advies aanleiding moet zien om een deskundige te raadplegen, maar of een vreemdeling voldoende gelegenheid heeft gehad om in voldoende mate weerwoord te bieden aan dat advies.
5. De rechtbank is van oordeel dat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad om weerwoord te bieden aan het advies van BMA. Zo heeft zij in bezwaar twee pagina’s overgelegd van een rapport van de World Health Organization (WHO) over Ghana uit 2018-2019, waaronder een lijst met essentiële medicijnen voor kinderen. Hoewel uit deze informatie blijkt dat er problemen zijn met de beschikbaarheid van medicijnen in Ghana in zijn algemeenheid, stelt verweerder terecht dat deze informatie algemeen van aard is en geen context biedt ten aanzien van de specifieke medicijnen die noodzakelijk zijn voor de medische behandeling van eiseres. Daar komt bij dat deze informatie niet actueel is. Deze informatie vormt daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het BMA-advies, nu het BMA-advies juist wel ziet op de medicijnen die eiseres nodig heeft. Hoewel eiseres terecht wijst op de mogelijkheid dat zij een contra-expertise kan gebruiken om het BMA-advies te weerleggen, zijn haar mogelijkheden daartoe niet beperkt. Zij kan bijvoorbeeld ook met medische stukken van haar behandelaar aannemelijk maken dat er concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan het BMA-advies. Dit heeft zij nagelaten, terwijl eiseres daartoe wel de gelegenheid heeft gehad. Daar komt bij dat niet is gebleken of gesteld door eiseres dat het voor haar onmogelijk is om met andere (medische) stukken twijfel te zaaien over de inhoud van het BMA-advies. Dit alles maakt dat er geen aanleiding bestaat om eiseres compensatie te bieden door een deskundige te benoemen.
6. Nu er geen concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de inhoud van het BMA-advies, komt de rechtbank niet toe aan de gestelde financiële onmogelijkheid van eiseres om een contra-expertise te betalen. [6]
Wat is de conclusie?
7. Nu uit het bovenstaande volgt dat het beginsel van equality of arms niet is geschonden, bestaat er geen aanleiding voor de rechtbank om een deskundige te benoemen.
8. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.H. van der Poort-Schoenmakers, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Zie artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (de Vw 2000).
2.Het Bureau Medische Advisering.
3.Op grond van artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4.Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het EHRM) van 8 oktober 2015 in de zaak Korošec tegen Slovenië (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212).
5.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674, r.o. 9.2 -9.2.3.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674, r.o. 10.1, en 28 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2629, r.o. 9.1.