ECLI:NL:RBDHA:2022:3951

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2022
Publicatiedatum
28 april 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 633
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiseres, voorheen werkzaam als helpende bij Florence, kreeg aanvankelijk een WIA-uitkering toegekend wegens 100% arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar van Florence werd dit besluit herroepen omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Eiseres betwistte dit en voerde aan dat het besluit op onjuiste informatie was gebaseerd en dat haar situatie verslechterd was.

De rechtbank overwoog dat het medisch oordeel van de verzekeringsarts, die eiseres lichamelijk en psychisch onderzocht en een dossierstudie verrichtte, zorgvuldig en begrijpelijk was. De verzekeringsarts b&b vond dat de beperkingen van eiseres niet medisch objectief waren en dat zij zich liet leiden door angst, waardoor de belastbaarheid niet werd benut. Eiseres bracht geen medische informatie aan die een ander oordeel rechtvaardigde.

Ook de arbeidsdeskundige had functies geduid passend binnen de belastbaarheid van eiseres. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit terecht was genomen en dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 21/633

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: G.M. Folkers-Hooijmans).
Als derde-partij neemt aan het geding deel:
Stichting Florence(hierna: Florence), te Rijswijk
(gemachtigde: H.E. Wonnink).

Procesverloop

In het besluit van 6 januari 2020 (primair besluit) heeft verweerder met ingang van 29 november 2019 een uitkering aan eiseres toegekend op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
In het besluit van 11 december 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van Florence tegen het primaire besluit gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en beslist dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 21 maart 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, vergezeld van [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Florence is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat zij, omdat eiseres geen toestemming heeft gegeven om stukken die medische gegevens bevatten ter kennisname aan Florence te sturen, de motivering van haar oordeel voor zover nodig zal beperken om te voorkomen dat deze gegevens alsnog openbaar worden.
1.1.
Eiseres was laatstelijk werkzaam als helpende bij Florence voor 20,46 uur per week. Op 1 december 2017 heeft eiseres zich ziekgemeld. Na einde wachttijd heeft verweerder een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. In het primaire besluit heeft verweerder eiseres met ingang van 29 november 2019 een WIA-uitkering toegekend, omdat zij 100% arbeidsongeschikt werd geacht.
2. Naar aanleiding van het bezwaar van Florence heeft verweerder een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek in bezwaar verricht. In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van Florence gegrond verklaard, het primaire besluit herroepen en beslist dat eiseres geen recht heeft op een WIA-uitkering. Dit berust op het standpunt dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is.
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat het besluit op onjuiste informatie berust. Het besluit is in het belang van Florence genomen. Eiseres heeft de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) en de arbeidsdeskundige b&b niet kunnen inzien. De situatie van eiseres is niet verbeterd maar juist verslechterd.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder zijn besluiten omtrent arbeids(on)geschiktheid van een betrokkene mag baseren op rapporten van verzekeringsartsen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en voldoende duidelijk zijn. Dit betekent niet dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep niet kunnen worden aangevochten. Het is echter aan de betrokkene om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, tegenstrijdigheden bevatten, niet voldoende duidelijk zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is.
4.2.
Eiseres is op het spreekuur van 18 november 2019 lichamelijk en psychisch onderzocht door de primaire verzekeringsarts. Ook is dossieronderzoek verricht. De primaire verzekeringsarts heeft op 19 november 2019 een rapport van zijn bevindingen opgesteld. De conclusie uit dit rapport luidt dat eiseres vanwege haar fysieke beperkingen marginaal belastbaar is. De primaire verzekeringsarts kan zich vinden in de door de bedrijfsarts aangegeven belastbaarheid. Er is wel verbetering van de belastbaarheid te verwachten, zo stelt de verzekeringsarts.
4.3.
Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b op 22 oktober 2020 een rapport uitgebracht. De verzekeringsarts b&b heeft hiervoor dossierstudie verricht en eiseres onderzocht op de hoorzitting van 24 september 2020. De verzekeringsarts b&b ziet reden om af te wijken van het oordeel van de primaire verzekeringsarts. De door de primaire verzekeringsarts opgenomen zware beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) vereisen de aanwezigheid van een redelijk ernstige, goed te objectiveren stoornis. Daarvan is in dit geval geen sprake. Eiseres laat zich in haar functioneren leiden door de angst om (pijn)klachten te krijgen. De medisch gezien wel aanwezige belastbaarheid wordt daardoor niet benut en opbouw van een (spier)conditie blijft achterwege. Medisch gezien zijn er geen afwijkingen die inhouden dat bewegen en belasten ‘zaken stuk maken’, tot meer klachten zullen leiden of een negatieve invloed op de algehele belastbaarheid en gezondheid zullen hebben. Ook voor de forse urenbeperking ziet de verzekeringsarts b&b geen aanleiding. Er is geen relevante energetische stoornis, er zijn geen argumenten van preventieve aard en er is geen sprake van een verminderde beschikbaarheid. Tot slot was er per einde wachttijd de verwachting van verbetering tot een niveau van normaal functioneren.
4.4.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het rapport van de verzekeringsarts b&b op een onzorgvuldige manier tot stand is gekomen, tegenstrijdigheden bevat of onvoldoende begrijpelijk is. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b blijkt dat alle klachten van eiseres in de beoordeling zijn betrokken. Er zijn geen klachten over het hoofd gezien en alle beschikbare informatie is meegenomen in de beoordeling. Verweerder heeft dit rapport daarom aan het bestreden besluit ten grondslag mogen leggen.
4.5.
De beroepsgronden geven verder geen reden te twijfelen aan de juistheid van het medisch oordeel van de verzekeringsarts b&b. Er zijn diverse beperkingen voor de klachten van eiseres in de FML opgenomen. De verzekeringsarts b&b heeft inzichtelijk toegelicht waarom hij tot een ander oordeel dan de primaire verzekeringsarts is gekomen. Eiseres heeft in beroep geen medische informatie ingebracht die zou kunnen leiden tot andere medische inzichten. Dat eiseres het niet eens is met de vastgestelde beperkingen, kan op zichzelf niet leiden tot het oordeel dat de medische beoordeling onjuist is. Het is juist de specifieke deskundigheid van de verzekeringsarts om op basis van medisch objectiveerbare klachten beperkingen vast te stellen. Aan de eigen beleving van de klachten van eiseres kan dan ook geen doorslaggevende betekenis toekomen.
4.6.
Het voorgaande betekent dat de medische component van het bestreden besluit op goede gronden berust.
4.7.
De rechtbank heeft tot slot de functies bestudeerd die door de arbeidsdeskundige b&b in zijn rapport van 30 oktober 2020 zijn geduid. Er zijn geen aanwijzingen dat deze functies, die zijn geduid aan de hand van de beperkingen van eiseres in de FML, niet geschikt voor eiseres zouden zijn. Eiseres heeft hiertegen ook geen specifieke beroepsgronden naar voren gebracht. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de geduide functies passen binnen de belastbaarheid van eiseres.
4.8.
Het voorgaande betekent dat verweerder terecht stelt dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op een WIA-uitkering.
4.9.
Voor zover eiseres stelt dat zij de rapporten van de verzekeringsarts b&b en de arbeidsdeskundige b&b niet heeft kunnen inzien, overweegt de rechtbank dat uit het dossier volgt dat deze rapporten op 27 november 2020 naar eiseres zijn verstuurd. Eiseres heeft hier niet op gereageerd. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P.G. van Egeraat, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.