ECLI:NL:RBDHA:2022:4064
Rechtbank Den Haag
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke teruggave van inbeslaggenomen geld na strafrechtelijk onderzoek
In deze strafrechtelijke procedure heeft klager een beklag ingediend tegen de inbeslagname van €18.200,- contant geld, dat bij een huiszoeking in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar zijn zoon is aangetroffen. Klager verzocht om teruggave van het volledige bedrag, stellende dat het geld legaal was verkregen en dat een deel van €5.000,- toebehoorde aan een andere zoon, waarvoor hij als bewaringhouder optrad.
De officier van justitie gaf aan dat €13.200,- teruggegeven kon worden, terwijl het resterende bedrag van €5.000,- onder beslag moest blijven omdat ook de andere zoon verdachte was in het onderzoek. De rechtbank oordeelde dat het klaagschrift ondanks overschrijding van de termijn verschoonbaar was.
De rechtbank verklaarde het beklag gegrond voor het bedrag van €13.200,- en gelastte de teruggave daarvan aan klager. Voor het bedrag van €5.000,- werd klager niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet als rechthebbende kon worden beschouwd. De door klager gestelde eigendomsoverdracht na beslaglegging werd verworpen op grond van artikel 453a Rv.
De beslissing werd uitgesproken door rechter B.A. Sturm op 22 februari 2022 in Den Haag.
Uitkomst: De rechtbank gelast de teruggave van €13.200,- en verklaart klager niet-ontvankelijk voor het resterende bedrag van €5.000,-.