Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:4126

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2022
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
AWB 20/8263
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:22, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000Art. 67, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 7:3 AwbArt. 8:57, eerste lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring na drugsvondst en strafrechtelijke veroordeling

Eiser, een Duitse staatsburger, werd bij binnenkomst in Nederland betrapt met 111 slikkersbollen cocaïne en veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf. Naar aanleiding hiervan heeft de staatssecretaris het Unierechtelijk verblijfsrecht van eiser beëindigd en hem ongewenst verklaard, wat eiser betwistte.

De rechtbank oordeelt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt omdat geen toezegging is gebleken dat geen ongewenstverklaring zou volgen. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn persoonlijke situatie, waaronder familie, vrienden en studieplannen in Nederland, zodanig is gewijzigd dat dit het besluit zou moeten beïnvloeden.

Ook is het beroep op schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel ongegrond, evenals het bezwaar dat eiser niet gehoord zou zijn, aangezien de rechtbank het horen in bezwaar terecht heeft achterwege gelaten. Het belang van de Nederlandse samenleving weegt zwaarder dan de persoonlijke belangen van eiser.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht en de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 20/8263

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser

V-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. G.A.J. Purperhart),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beëindiging van Unierechtelijk verblijfsrecht en tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van de rechtbank om een verweerschrift in te dienen.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om zonder zitting uitspraak te doen. Eiser heeft hiermee ingestemd. Verweerder heeft hierop niet gereageerd binnen de gestelde termijn. De rechtbank doet op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [Geboortedatum] en de Duitse nationaliteit te bezitten.
2. Op 25 augustus 2019 is eiser Nederland ingereisd en zijn bij hem 111 slikkersbollen aangetroffen met daarin 1.187,7 gram aan cocaïne. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 5 februari 2020 [2] is eiser hiervoor veroordeeld tot negen maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
3. Bij besluit van 13 juli 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder, na het voorstel daartoe van de Koninklijke Marechaussee van 4 maart 2020, eisers Unierechtelijke verblijfsrecht beëindigd [3] en eiser ongewenst verklaard. [4] Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, dat zijn persoonlijke omstandigheden geen reden zijn om het verblijfsrecht niet te beëindigen en dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM [5] (het recht op gezinsleven).
4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Volgens eiser is tijdens zijn detentie toegezegd dat aan hem geen ongewenstverklaring zou worden opgelegd als hij zijn volledige straf zou uitzitten en is er een onjuiste voorstelling van zaken gegeven omdat hij volledig heeft meegewerkt maar desondanks toch ongewenst is verklaard. De rechtbank vat deze beroepsgrond op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dit beroep slaagt echter niet, omdat nergens uit blijkt dat een dergelijke toezegging daadwerkelijk aan eiser zou zijn gedaan.
6. Daarnaast voert eiser aan dat hij enkele maanden na zijn vrijlating op 18 mei 2020 zijn leven weer heeft opgebouwd en dat verweerder ten onrechte niet heeft getracht te achterhalen of zijn financiële situatie is gewijzigd. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Eiser heeft zijn stelling dat sprake is van een aanzienlijke wijziging ten opzichte van de periode waarin hij in detentie verbleef namelijk geenszins aannemelijk gemaakt.
7. Verder voert eiser aan dat hij familie, vrienden en kennissen heeft in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Nederland en dat hij een studie wenst te starten aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, wat niet mogelijk is vanwege de ongewenstverklaring. Ter onderbouwing van deze laatste stelling heeft eiser een afschrift van een aanmelding voor een
masters eveningop 1 december 2020 overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet aannemelijk gemaakt dat eiser daadwerkelijk voor een opleiding in Nederland is ingeschreven en heeft verweerder bovendien kunnen overwegen dat niet is gebleken dat eiser niet een vergelijkbare opleiding elders kan volgen. Het bestreden besluit belet eiser niet om in Duitsland of het Verenigd Koninkrijk te gaan wonen. Eiser heeft niet eerder gesteld dat hij familie heeft in Nederland, maar deze stelling is op geen enkele manier onderbouwd zodat de rechtbank geen aanleiding ziet voor het oordeel dat verweerder in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM heeft gehandeld. Ook heeft verweerder kunnen overwegen dat het belang van eiser om zijn vrienden en kennissen in Nederland te bezoeken niet opweegt tegen het belang van de Nederlandse samenleving om gevrijwaard te blijven van de invoer van cocaïne.
8. Ook voert eiser aan dat het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel zijn geschonden, dat er een summier en ondeugdelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er geen correcte belangenafweging is gemaakt. Omdat deze stellingen niet van een verdere onderbouwing zijn voorzien, en gelet op wat hiervoor is overwogen, kan dit niet slagen.
9. Ten slotte voert eiser aan dat hij ten onrechte niet is gehoord over zijn bezwaar. Hierbij verwijst hij slechts naar zijn eerdere beroepsgronden. Uit wat hiervoor is overwogen, blijkt dat deze niet slagen. Verweerder heeft dan ook gelet op de gronden van bezwaar, gelezen in relatie tot het primaire besluit, mogen afzien van horen in bezwaar op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, op 28 april 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
3.Artikel 8.22, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
4.Artikel 67, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.