ECLI:NL:RBDHA:2022:4180

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
3 mei 2022
Zaaknummer
NL22.3696
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.109ca Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.109 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek op grond van India als veilig land van herkomst

Eiser, met de Indiase nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, stellende dat hij bedreigd wordt vanwege financiële schulden, discriminatie wegens kaste en problemen met een relatie. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een inreisverbod op. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat verweerder terecht India als veilig land van herkomst heeft aangemerkt, gebaseerd op een herbeoordeling uit 2021 die uitzonderingen kent voor bepaalde regio's en groepen.

Eiser voerde aan dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom India als veilig land geldt en verwees naar eerdere uitspraken en het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank vond deze verwijzingen onvoldoende onderbouwd en stelde dat verschillen in individuele zaken niet automatisch tot gelijke behandeling leiden. Daarnaast werd het asielrelaas van eiser als ongeloofwaardig beoordeeld en was niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt bij terugkeer.

Verder werd het verzoek om een medisch onderzoek afgewezen omdat eiser uit een veilig land komt en tijdens het gehoor geen relevante gezondheidsproblemen had aangegeven. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat India als veilig land van herkomst geldt en eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat dit voor hem persoonlijk anders is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.3696

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B. Ficq),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. de Graaf).

ProcesverloopBij besluit van 3 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijdafgewezen als kennelijk ongegrond. Ook is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL22.3697, op 12 april 2022 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is mevrouw Bhawany als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedag] 1999 en de Indiase nationaliteit te hebben. Eiser heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij in India grote geldbedragen verschuldigd is aan [A] en [B] en dat hij door hen is bedreigd. Verder ondervindt eiser in India discriminatie, omdat hij tot een lage kaste behoort. Tot slot heeft eiser verklaard verliefd te zijn op een meisje. De vader van het meisje die in het plaatselijke parlement zit, keurt dit af. Daarom heeft hij eiser door zijn handlangers laten ontvoeren en mishandelen en heeft hij eiser zelf ook twee keer geprobeerd te vermoorden.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. [2] De verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst zoals die genoteerd staan in het paspoort waarmee eiser naar Nederland is gereisd, heeft verweerder geloofwaardig gevonden. [3] Verweerder heeft echter niet geloofwaardig gevonden dat eiser vanwege zijn financiële schulden is bedreigd en wordt vervolgd, dat eiser gediscrimineerd wordt omdat hij tot een lage kaste behoort en dat hij problemen heeft gehad vanwege zijn relatie met een meisje.
India kan bovendien beschouwd worden als een veilig land van herkomst. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat, in afwijking van de algehele situatie, India ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en daarom in zijn geval niet als een veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Volgens verweerder kan eiser dan ook niet worden aangemerkt als vluchteling [4] en heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar India een reëel risico op ernstige schade loopt.
Waarom is eiser het niet eens met het bestreden besluit?
3. Eiser voert aan dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat India kan worden aangemerkt als een veilig land van herkomst. Eiser verwijst naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 3 maart 2022, waarin de rechtbank het beroep om die reden gegrond heeft verklaard. [5] Verder verwijst eiser naar vergelijkbare zaken, waarin het beroep gegrond is verklaard of de besluiten zijn ingetrokken, en doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens eiser heeft verweerder ten onrechte afgezien van een medisch onderzoek. Ook om deze reden is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en niet deugdelijk gemotiveerd. Eiser wijst erop dat hij moeite heeft met data en maanden en dat van hem niet verwacht kan worden dat hij dit tijdens het gehoor aangeeft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
India als veilig land van herkomst
4. Verweerder heeft India in 2016 aangemerkt als een veilig land van herkomst. [6] Op 14 december 2021 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Uit deze herbeoordeling volgt dat de aanwijzing van India als veilig land van herkomst wordt voortgezet, met uitzondering van de ‘union territory’ Jammu en Kashmir en met uitzondering van religieuze minderheden, zoals moslims en christenen, alsmede Dalit-vrouwen en -meisjes en journalisten. Verder geldt verhoogde aandacht voor personen die zich kritisch toonden over de overheid en het overheidsbeleid en als gevolg daarvan problemen hebben ondervonden, waaronder bijvoorbeeld mensenrechtenactivisten, academici en demonstranten. [7]
4.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder in 2021 heeft geconcludeerd dat de situatie in India achteruit is gegaan maar dat het niveau waarop bescherming wordt geboden tegen vervolging in algemene zin nog voldoende hoog is om de aanwijzing van India als veilig land voort te zetten. [8] Ter zitting heeft verweerder erkend dat bepaalde zaken achteruit zijn gegaan. Echter, dat betekent volgens verweerder niet dat heel India onveilig is. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet elke achteruitgang in een land maakt dat het land niet langer als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Het moet gaan om een zodanige verslechtering dat niet langer geconcludeerd kan worden dat in het algemeen gezien en op duurzame wijze geen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM plaatsvindt. Dat sprake is van een zodanige verslechtering dat de aanwijzing van India als veilig land van herkomst moet worden opgeschort, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Hoewel eiser in beroep stelt dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat India kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst, heeft hij dit niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld met rapporten over de algemene situatie in India. De verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 3 maart 2022 vindt de rechtbank hiertoe op zichzelf niet voldoende. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat verweerder India als veilig land van herkomst heeft kunnen aanwijzen.
4.2.
De omstandigheid dat verweerder in zaken van andere Indiase vreemdelingen het in beroep voorliggende besluit heeft ingetrokken of niet in hoger beroep is gegaan tegen de gegrondverklaring van het beroep, betekent op zichzelf nog niet dat niet langer uitgegaan kan worden van de aanwijzing van India als veilig land van herkomst. Dit kan immers, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, zijn ingegeven door de feiten en omstandigheden in de individuele zaak of omdat verweerder het niet opportuun vindt om hoger beroep in te stellen tegen een door de rechtbank geconstateerd motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Nu de rechtbank niet beschikt over de specifieke feiten en omstandigheden van de andere zaken, kan niet geconcludeerd worden dat sprake is van gelijke gevallen die gelijk moeten worden behandeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt om die reden niet.
4.3.
De rechtbank overweegt dat verweerder het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig heeft gevonden en dat eiser hiertegen als zodanig geen specifieke beroepsgronden heeft gericht. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat India voor hem persoonlijk, vanwege door hem ondervonden problemen, niet als veilig land van herkomst heeft te gelden. Verder heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt dat, indien zich in India wel problemen zouden voordoen, hij hiertegen niet de bescherming van de Indiase autoriteiten kan inroepen dan wel verkrijgen.
Afzien van het aanbieden van een medisch onderzoek
5. Aan de vreemdeling die afkomstig is uit een veilig land van herkomst wordt geen medisch onderzoek aangeboden. [9] Nu eiser afkomstig is uit India, heeft verweerder van het aanbieden van een medisch onderzoek kunnen afzien. Daarbij is van belang dat eiser aan het begin van het gehoor veilig land van herkomst heeft aangegeven dat hij zich lichamelijk en geestelijk in staat voelt om gehoord te worden en dat er geen bijzonderheden zijn waarmee de gehoormedewerker rekening moet houden. Verweerder heeft eiser kunnen aanrekenen dat hij zelf op dat moment niet naar voren heeft gebracht dat hij moeite heeft met het benoemen van data.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, c en e, van de Vw 2000.
3.In het gehoor veilig land van herkomst heeft eiser verklaard een andere naam en geboortedatum te hebben en met een paspoort van een reisagent naar Nederland te zijn gereisd.
4.In de zin van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76).
6.Kamerstukken II 2015-2016, 19637 nr. 2123, van 9 februari 2016.
7.Brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 14 december 2021, Kamerstukken II 2021-2022, 19637 nr. 2807.
8.Zie de bijlage ‘Landeninformatie – India’ bij de brief van 14 december 2021.
9.Dit is neergelegd in artikel 3.109ca, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 3.109, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.