Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2022:4209

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 maart 2022
Publicatiedatum
4 mei 2022
Zaaknummer
20_8272
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 lid 3 BpbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning schadevergoeding wegens te late eerstejaarsherbeoordeling Ziektewet

De Gemeente Den Haag heeft een verzoek tot schadevergoeding ingediend tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) wegens het te laat uitvoeren van een eerstejaarsherbeoordeling in het kader van de Ziektewet. Door deze vertraging moest de gemeente onverschuldigd ziekengeld betalen over de maanden maart tot en met mei 2020 en een arbeidskundig onderzoek laten verrichten.

Het UWV heeft aanvankelijk het verzoek afgewezen, maar verklaarde zich later bereid het ziekengeld en de kosten van het arbeidskundig onderzoek te vergoeden. De rechtbank heeft het verzoek tot schadevergoeding toegekend tot een bedrag van €6.484,44, bestaande uit het onverschuldigd betaalde ziekengeld en de kosten van het onderzoek.

De rechtbank heeft de gevorderde kosten van rechtsbijstand beoordeeld aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en geoordeeld dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn om af te wijken van de forfaitaire vergoeding. Daarom is alleen een forfaitaire proceskostenvergoeding van €759,- toegekend, naast de vergoeding van het griffierecht.

Partijen hebben afgezien van een mondelinge behandeling, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en uitspraak heeft gedaan. De uitspraak is openbaar en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van €6.484,44 schadevergoeding, vergoeding van griffierecht en forfaitaire proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/8272

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2022 in de zaak tussen

de Gemeente Den Haag, verzoeker

(gemachtigde: mr.drs. E.C. Spiering),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: H. Woltman).

Procesverloop

Bij brief van 10 juli 2020 heeft verzoeker bij verweerder een verzoek om schadevergoeding ingediend.
Bij brief van 24 augustus 2020 heeft verweerder afwijzend beslist op dit verzoek.
Bij brief van 28 december 2020 heeft verzoeker bij de rechtbank een verzoek om schadevergoeding ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft bij brief van 15 juni 2021 een reactie gegeven op het verweerschrift.
Bij brief van 9 februari 2022 heeft verweerder aan de rechtbank bericht dat hij alsnog bereid tot betaling van schadevergoeding. De kosten van rechtsbijstand worden vergoed conform de forfaitaire bedragen in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
De rechtbank heeft partijen uitgenodigd voor de behandeling van het beroep ter zitting op 2 maart 2022. Partijen hebben vooraf de rechtbank bericht af te zien van deelname aan deze zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft in zijn verzoek tot schadevergoeding-kort gezegd- aangevoerd dat verweerder te laat een zogenoemde eerstejaarsherbeoordeling in het kader van de Ziektewet heeft uitgevoerd. Bij een tijdige uitvoering hiervan had verzoeker geen ziekengeld aan de betreffende werkneemster meer hoeven te betalen. De schade bedraagt volgens verzoeker het over de maanden maart 2020, april 2020 en mei 2020 onverschuldigd betaalde ziekengeld. Ook heeft verzoeker in het kader van de re-integratieactiviteiten van de werkneemster een arbeidskundig onderzoek moeten laten verrichten. Ook dit onderzoek zou niet nodig zijn geweest als verweerder tijdig de eerder genoemde herbeoordeling had verricht.
Verzoeker heeft daarom verzocht verweerder te veroordelen in de volgende posten:
  • € 6.244,44 aan onverschuldigd betaalde ziekengeld over de periode van 28 februari 2020 tot 1 juni 2020;
  • € 270,- aan kosten van vermijdbaar onderzoek;
  • € 1.072,50 aan kosten van rechtsbijstand inzake het verzoek van 10 juli 2020;
  • € 1.267,50 aan kosten van rechtsbijstand in deze procedure.
2. Bij brief van 9 februari 2022 heeft verweerder zich bereid verklaard het ziekengeld ten bedrage van € 6.244,44 en het arbeidskundig onderzoek van € 270,- te vergoeden.
Met betrekking tot de door geclaimde kosten van verleende rechtsbijstand heeft verweerder gesteld dat hij tot niet meer bereid is dan vergoeding van de forfaitaire bedragen conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Gelet daarop, ziet de rechtbank aanleiding het verzoek om schadevergoeding toe te wijzen tot een bedrag van (€ 6.244,44 + € 240,- =) € 6.484,44. Dit betekent dat alleen nog ter discussie staat de vergoeding van de geclaimde kosten aan rechtsbijstand.
4.1
De rechtbank vat de door verzoeker opgevoerde kosten aan rechtsbijstand op als een beroep op artikel 2, derde lid, van het Bpb. Hierin is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden van de forfaitaire vergoeding kan worden afgeweken. Deze mogelijkheid tot afwijking is alleen bedoeld voor uitzonderlijke, schrijnende gevallen waarbij strikte toepassing van de regeling evident onrechtvaardig zou zijn. De rechtbank is niet gebleken van dergelijke bijzondere omstandigheden.
Voor zover verzoeker stelt dat de kosten van rechtsbijstand onderdeel zijn van de geleden schade is de rechtbank van oordeel dat voor een aanvullende vergoeding langs de weg van artikel 8:88 van Pro de Awb geen plaats is vanwege het exclusieve en limitatieve karakter van het Bpb [1] .
4.2
De vergoeding van de proceskosten wordt met toepassing van het Bpb als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 1 punt op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift tot schadevergoeding met een waarde per punt van € 759,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 759,-.
5. Verweerder dient aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding aan verzoeker tot een bedrag van € 6.484,44;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,- aan verzoeker te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 759,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van
W.M. Colpa, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV1194.