ECLI:NL:RBDHA:2022:4217
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag wegens Dublin-overdracht aan Duitsland
De eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet inhoudelijk te behandelen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de asielprocedure. De rechtbank heeft het beroep samen met een vergelijkbare zaak behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen.
De rechtbank beoordeelde ambtshalve of eiser nog belang had bij het beroep, nu hij op 29 maart 2022 aan Duitsland was overgedragen. Gelet op artikel 29, derde lid van de Dublinverordening, blijft het belang bestaan voor een inhoudelijke toetsing van het besluit. De rechtbank concludeerde dat Duitsland inderdaad verantwoordelijk is en dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij in Duitsland geen opvang zou krijgen of dat de opvang niet aan de Opvangrichtlijn voldoet. Ook zijn vrees voor indirect refoulement naar Turkije werd niet onderbouwd, mede omdat Duitsland garanties heeft gegeven over de inhoudelijke behandeling van zijn asielaanvraag in overeenstemming met Europese richtlijnen.
Verder is het Duitse systeem van rechtsbijstand niet in strijd met de Procedurerichtlijn, aangezien kosteloze rechtsbijstand niet onvoorwaardelijk is gegarandeerd. Eiser moet eventuele klachten hierover in Duitsland indienen. De staatssecretaris hoefde daarom geen discretionaire bevoegdheid te gebruiken om de asielprocedure aan zich te trekken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.