Eiser, een Ugandees geboren in 1996, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege problemen die hij ondervindt door zijn homoseksuele geaardheid. De Staatssecretaris wees dit verzoek af, stellende dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe hij zijn seksuele gerichtheid had ontdekt en ervaren, en dat hij geen reëel risico liep bij terugkeer.
Eiser stelde in beroep dat de beoordeling van zijn asielrelaas onjuist was en overlegde aanvullende stukken, waaronder een verklaring van de voorzitter van LGBT Asylum Support, die het innerlijke proces van bewustwording en worsteling van eiser bevestigde. De rechtbank stelde vast dat de Staatssecretaris niet was verschenen en geen verweerschrift had ingediend, waardoor geen reactie op de nieuwe stukken was gegeven.
De rechtbank oordeelde dat de ingebrachte stukken en verklaring betrokken hadden moeten worden bij een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, zoals ook vereist is volgens een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 4 augustus 2021. Omdat dit niet was gebeurd, werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken, met inachtneming van deze uitspraak.
Daarnaast werd de Staatssecretaris veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser.