ECLI:NL:RBDHA:2022:4270

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2022
Publicatiedatum
6 mei 2022
Zaaknummer
NL22.6002
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArtikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding

Eiser, een Algerijnse vreemdeling, werd op 22 maart 2022 onder bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet risico op overdracht naar Oostenrijk en het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. De maatregel werd later opgeheven, waarna eiser beroep instelde en tevens een verzoek om schadevergoeding indiende.

De rechtbank beperkte haar beoordeling tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was geweest en of schadevergoeding toekwam. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voor bewaring feitelijk juist waren en dat eiser deze niet betwistte. Ook werd geoordeeld dat geen lichter middel toepasbaar was, mede omdat eiser meerdere keren had verklaard niet naar Oostenrijk te willen gaan en de stelling dat hij in Oostenrijk in bewaring zou worden gesteld onvoldoende was onderbouwd.

Verder werd vastgesteld dat verweerder voortvarend had gehandeld en dat er zicht was op overdracht, ondanks dat eiser weigerde mee te werken aan een noodzakelijke PCR-test, wat de overdracht vertraagde. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.6002

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Martens),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 26 april 2022 de maatregel van bewaring opgeheven.
Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 28 april 2022 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1994 en de Algerijnse nationaliteit te bezitten.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank namelijk indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.
Maatregel van bewaring
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening [1] en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken.
En als lichte gronden [3] is in de maatregel vermeld dat eiser:
  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling [4] van 25 maart 2020 [5] , dat voor het opleggen van (onder meer) de zware gronden 3a en 3b alleen is vereist dat die gronden feitelijk juist zijn, en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven. Nu eiser de feitelijke juistheid van de zware gronden 3a en 3b niet heeft betwist en deze zware gronden tezamen voldoende zijn om de maatregel te dragen, is sprake van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de lichte gronden behoeft daarom geen bespreking.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat niet duidelijk is waarom er geen lichter middel is ingezet. Hij zou eerst in de gelegenheid moeten worden gesteld om zelfstandig naar Oostenrijk terug te gaan, omdat hij bij een gedwongen overdracht aldaar mogelijk in vreemdelingenbewaring komt, aldus eiser.
6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat in dit geval geen lichter middel kon worden toegepast. Uit het M110-formulier [6] blijkt dat eiser meermaals heeft verklaard niet naar Oostenrijk te willen gaan. Verder heeft eiser aangegeven Oostenrijk te verlaten zodra hij is overgedragen. Hij wil namelijk naar Engeland, omdat het voor hem onmogelijk aldaar asiel te krijgen. Verder is eisers stelling dat hij in Oostenrijk in bewaring wordt gesteld als hij op gedwongen wijze wordt overgedragen niet onderbouwd.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
7. Tot slot voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat zicht op overdracht ontbreekt. Eiser werkt namelijk niet mee aan een PCR-test.
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet onvoldoende voortvarend gehandeld, omdat eiser zijn overdracht aan Oostenrijk blijft frustreren. Eiser heeft door het telkens weigeren voor het afnemen van een noodzakelijke PCR-test zelf bijgedragen aan de langere duur van de inbewaringstelling. De overdracht op 14 april 2022 is geannuleerd vanwege eisers houding. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat er zicht op overdracht is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
6.M110-formulier, p 4 van 7.