ECLI:NL:RBDHA:2022:4308
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid
Verzoekster had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen met oplegging van een inreisverbod van twee jaar. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar door verweerder, stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank. Verzoekster vroeg vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb zonder zitting uitspraak kon worden gedaan. Omdat het beroep in de hoofdzaak op dezelfde dag werd ongegrond verklaard, was er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer. Hierdoor was het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wees het verzoek af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak reeds is beslist.