ECLI:NL:RBDHA:2022:4308

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 april 2022
Publicatiedatum
6 mei 2022
Zaaknummer
AWB 20/9537
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid

Verzoekster had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen met oplegging van een inreisverbod van twee jaar. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar door verweerder, stelde verzoekster beroep in bij de rechtbank. Verzoekster vroeg vervolgens de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb zonder zitting uitspraak kon worden gedaan. Omdat het beroep in de hoofdzaak op dezelfde dag werd ongegrond verklaard, was er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure meer. Hierdoor was het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter wees het verzoek af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak reeds is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 20/9537

uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 april 2022 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.S. van den Anker).

Procesverloop

Bij besluit van 5 augustus 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel ‘uitoefenen van privéleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] ’ afgewezen en aan verzoekster een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.
Bij besluit van 24 december 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [2] uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Bij uitspraak van vandaag [3] heeft de rechtbank het hiervoor genoemde door verzoekster ingestelde beroep ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat er geen bezwaar- dan wel beroepsprocedure meer loopt, zodat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Nooijen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.C.M. van den Berg, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2022.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Algemene wet bestuursrecht.
3.Zaaknummer AWB 20/9536.