1.2.Eiser heeft verzocht om op grond van de Wob de volgende documenten openbaar te maken:
Alle correspondentie (e-mails briefwisselingen gespreksverslagen) tussen:
- ex wethouder [A] en [advocatenkantoor] Advocaten m.b.t. het ondernemersfonds Teylingen en de TOV Teylingen;
- leden van het College en het ondernemersfonds Teylingen en de TOV tot op heden;
- de leden van het College onderling m.b.t. het ondernemersfonds en de TOV;
- het College en de Gemeenteraad m.b.t. de TOV en het ondernemersfonds Teylingen;
- ex wethouder [A] en de TOV inclusief het ondernemersfonds Teylingen.
Wat heeft verweerder besloten?
2. Verweerder heeft bij het primaire besluit een aantal documenten geheel of gedeeltelijk openbaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd en een inventarislijst toegevoegd waarin per document de weigeringsgrond van de Wob is vermeld. De passages die onleesbaar zijn gemaakt zijn geweigerd ofwel omdat het belang van openbaarmaking daarvan niet opweegt tegen bescherming van de persoonlijke levenssfeerofwel omdat het gaat om persoonlijke beleidsopvattingen in documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, terwijl deze informatie niet kan worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm.
3. Eiser stelt dat uit de aan hem verzonden openbaar gemaakte stukken blijkt dat verweerder stukken heeft achtergehouden. Er ontbreken stukken als:
- alle correspondentie (e-mails, briefwisselingen en gespreksverslagen) tussen leden van het College onderling met betrekking tot het OFT en de TOV;
- alle correspondentie (e-mails, briefwisselingen en gespreksverslagen) tussen wethouder [A] en de TOV inclusief het OFT en
- de stukken waaruit blijkt dat de OFT in de eerste twee jaren is gecontroleerd, zoals in het convenant tussen verweerder en het OFT is afgesproken.
Verder vindt eiser dat verweerder een disproportionele vorm van anonimiseren heeft toegepast waardoor het doel van het WOB-verzoek wordt gefrustreerd. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob van toepassing heeft geacht. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft overwogen in haar uitspraak van 1 juli 2015kan, waar het het beroepshalve functioneren van ambtenaren betreft, slechts in beperkte mate een beroep worden gedaan op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte de weigeringsgrond van artikel 11, eerste lid, van de Wob heeft toegepast. Verweerder kan de persoonlijke beleidsopvattingen verstrekken in niet tot personen herleidbare vorm.
Wat is het oordeel van de rechtbank?