ECLI:NL:RBDHA:2022:4620
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beslistermijn asielprocedure bij niet tijdig beslissen door staatssecretaris
Eiser diende op 8 september 2021 een asielaanvraag in. De staatssecretaris had binnen zes maanden moeten beslissen, maar deed dit niet. Eiser stelde de staatssecretaris op 9 maart 2022 in gebreke en diende op 30 maart 2022 beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond omdat de beslistermijn was overschreden en de staatssecretaris niet had gereageerd op vragen over de termijn.
De rechtbank legt uit dat zij de staatssecretaris na ontvangst van een beroep schriftelijk vraagt binnen welke termijn een besluit kan worden genomen. Bij uitblijven van een reactie wordt voortaan geen tweede termijn meer gegeven, maar wordt op basis van de beschikbare stukken uitspraak gedaan. Dit voorkomt vertraging en onnodige belasting van de griffie.
De rechtbank past het 8+8-wekenmodel toe: binnen acht weken na verzending van de uitspraak moet de staatssecretaris met de algemene asielprocedure starten en binnen acht weken daarna een besluit nemen. Omdat de staatssecretaris niet heeft gereageerd en er geen aanwijzingen zijn van een start van de procedure, is dit model passend.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en legt de beslistermijn vast. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot betaling van proceskosten aan eiser van €379,50. De uitspraak is gedaan door rechter Derksen en griffier Barzilay.
Uitkomst: De rechtbank legt een beslistermijn van 8+8 weken op aan de staatssecretaris en verklaart het beroep gegrond.