ECLI:NL:RBDHA:2022:4646
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak
In deze bestuursrechtelijke vreemdelingenzaak heeft de verzoeker een aanvraag gedaan om uitstel van vertrek te verkrijgen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld bij het primaire besluit van 3 december 2021. Hiertegen is bezwaar gemaakt, maar dit bezwaar is bij besluit van 14 januari 2022 ongegrond verklaard.
De verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en tegelijkertijd een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om vrijstelling van griffierecht wegens betalingsonmacht voorlopig toegewezen op basis van de aangeleverde informatie.
De rechtbank heeft echter geoordeeld dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is omdat op dezelfde dag uitspraak is gedaan op het beroep zelf (zaaknummer NL22.2178). Daarom is het verzoek afgewezen en is er geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op dezelfde dag uitspraak is gedaan op het beroep.