ECLI:NL:RBDHA:2022:4649
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij intrekking verblijfsvergunning
Verzoekster heeft een aanvraag gedaan tot wijziging van het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen bij besluit van 4 juli 2021. Tevens is haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel 'verblijf als familie- of gezinslid' met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2019 ingetrokken.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit primaire besluit, maar dit bezwaar is bij besluit van 10 februari 2022 ongegrond verklaard. Vervolgens heeft zij beroep ingesteld bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen omdat op het onderliggende beroep reeds uitspraak is gedaan (zaaknummer NL22.2450) en het verzoek daarom kennelijk ongegrond is. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.