ECLI:NL:RBDHA:2022:4694
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk verklaard
Verzoekster heeft een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER ingediend, welke door verweerder is afgewezen bij het primaire besluit van 6 juni 2020. Tegen dit besluit maakte verzoekster bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening, die op 24 december 2020 werd toegewezen. Vervolgens verklaarde verweerder het bezwaar ongegrond bij besluit van 11 februari 2021, waartegen verzoekster beroep instelde en opnieuw een voorlopige voorziening verzocht.
Tijdens de beroepsprocedure trok verweerder het bestreden besluit van 11 februari 2021 in en gaf aan opnieuw op het bezwaar te zullen beslissen. Verzoekster trok haar beroep in, maar handhaafde haar verzoek om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat door de intrekking van het bestreden besluit de rechtstoestand in bezwaar herleeft, waardoor verzoekster rechtmatig verblijf heeft.
Daarom heeft verzoekster geen belang meer bij de voorlopige voorziening en is het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het bestreden besluit is ingetrokken en de rechtstoestand in bezwaar herleeft.