ECLI:NL:RBDHA:2022:4763

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2022
Publicatiedatum
18 mei 2022
Zaaknummer
SGR 20/7303
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.2.1 Wmo 2015Art. 3.1 lid 4 onder a en b Verordening maatschappelijke ondersteuning Den Haag 2018
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek maatschappelijke opvang op grond van Wmo 2015

Eiser heeft bij het gemeentelijk daklozenloket een verzoek ingediend om maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), nadat hij te horen had gekregen dat hij in Haarlem geen opvang meer kon ontvangen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft dit verzoek afgewezen omdat eiser onvoorbereid naar Nederland is gekomen en naar oordeel van het college op eigen kracht of met gebruikelijke hulp in zijn behoefte aan opvang kan voorzien.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, maar dit bezwaar is eveneens ongegrond verklaard. Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank heeft het beroep behandeld en geoordeeld dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Er is geen sprake van beperkingen die verhinderen dat eiser zich op eigen kracht kan handhaven.

De rechtbank overweegt dat het feit dat eiser ondanks zijn inspanningen nog geen woning heeft kunnen vinden, niet leidt tot een andere uitkomst. Bovendien was te voorzien dat eiser na zijn vertrek uit Curaçao afhankelijk zou zijn van opvang, omdat hij geen woning in Nederland had. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van proceskosten wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om maatschappelijke opvang wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/7303
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2022 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Mos).

Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2020 (primair besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om toegang te krijgen tot maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) afgewezen.
Bij besluit van 7 oktober 2020 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2022 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst af het verzoek tot vergoeding van de proceskosten.

Overwegingen

1. De rechtbank motiveert deze beslissing als volgt.
2. Eiser heeft zich op 12 mei 2020 gemeld bij het gemeentelijk daklozenloket, alwaar hij zijn verzoek om maatschappelijke opvang heeft ingediend. Dit omdat de opvang in Haarlem aan eiser heeft medegedeeld dat hij vanaf 20 mei 2020 niet meer welkom is.
3. In het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser afgewezen, omdat eiser onvoorbereid naar Nederland is gekomen en hij op eigen kracht of met gebruikelijke hulp kan voorzien in zijn behoefte aan opvang. Ook kan eiser volgens verweerder met gebruikmaking van de voorzieningen in Haarlem voorzien in zijn behoefte aan opvang.
4. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd, maar hieraan een andere motivering ten grondslag gelegd. Volgens verweerder is namelijk uit het onderzoek niet gebleken dat bij eiser sprake is van beperkingen bij het zich handhaven in de samenleving. Hij wordt door verweerder in staat geacht om zelf voor woonruimte te zorgen.
5. Eiser acht het bestreden besluit onzorgvuldig. Eiser heeft namelijk, anders dan verweerder kennelijk meent, wel degelijk moeite gedaan om een woning te bemachtigen, maar dit is tot op heden niet gelukt. Eiser heeft zijn leven ‘niet op de rit’.
Juridisch kader
6. Ingevolge artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo 2015 komt een ingezetene van Nederland overeenkomstig de bepalingen van die wet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening indien hij de thuissituatie heeft verlaten en niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
7. Op grond van artikel 3.1, vierde lid, onder a en b, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Den Haag 2018, verstrekt het college een maatwerkvoorziening slechts indien de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs niet voorzienbaar was, maar van de cliënt niet verwacht kon worden
maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig maakte.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd waarom eiser niet voor toekenning van de maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Niet is gebleken dat bij eiser sprake is van beperkingen waardoor hij zich niet op eigen kracht zou kunnen handhaven in de samenleving. Dat eiser, zoals hij stelt, na veel moeite nog steeds geen woning heeft kunnen verkrijgen maakt hierom nog niet dat verweerder tot toekenning van eisers verzoek zou moeten overgaan. Voorts was in de situatie van eiser te voorzien dat hij na zijn vertrek uit Curaçao afhankelijk zou zijn van opvang van een gemeente, nu hij in Nederland niet over een woning beschikte. Het beroep is daarmee ongegrond.
9. Gezien het voorgaande bestaat geen aanleiding tot veroordeling van een der partijen in de proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van
E.T. Rietbroek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2022.
griffier
rechter
Een afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.