ECLI:NL:RBDHA:2022:491
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep niet-tijdig beslissen verblijfsvergunning asiel na besluit en dwangsom
Eiser heeft op 28 januari 2020 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel, nadat de beslistermijn op 23 oktober 2019 was verstreken en eiser verweerder op 10 januari 2020 in gebreke had gesteld. De rechtbank heeft op 16 maart 2020 het beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen een termijn te beslissen, met een dwangsom bij overschrijding.
Verweerder heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld, dat op 7 juli 2020 gegrond werd verklaard. Vervolgens heeft verweerder op 18 juni 2020 alsnog een besluit genomen tot verlening van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht. Eiser handhaafde zijn beroep tegen het niet-tijdig beslissen en vorderde proceskostenvergoeding.
De rechtbank oordeelt dat nu verweerder heeft beslist en de maximale dwangsom is toegekend, het belang van eiser bij het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is komen te vervallen en verklaart dit beroep niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de vaststelling van de dwangsom is geen bestuursrechtelijk besluit en valt buiten de bestuursrechterlijke bevoegdheid, zodat de rechtbank zich onbevoegd verklaart.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van proceskosten aan eiser, omdat de overschrijding van de beslistermijn heeft plaatsgevonden. Het beroep tegen het besluit van 18 juni 2020 is eveneens niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang, nu de gronden reeds zijn behandeld.
De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn en griffier J.C. de Grauw op 7 januari 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard en verweerder is veroordeeld in de proceskosten.