Eiser, een Marokkaanse asielzoeker, heeft een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank Den Haag behandelde het beroep op 6 mei 2022 en oordeelde dat het asielrelaas van eiser terecht als ongeloofwaardig is aangemerkt.
De rechtbank nam mee dat eiser ruim negen jaar in Europa verbleef zonder internationale bescherming te vragen, wat tegen hem mocht worden gewogen. Daarnaast heeft eiser geen documenten overgelegd ter onderbouwing van zijn verhaal, terwijl van hem verwacht mocht worden dat hij relevante gebeurtenissen, zoals de dood van zijn oma, aangifte van mishandelingen en ziekenhuisbehandelingen, met bewijsstukken zou ondersteunen. Ook zijn tegenstrijdige verklaringen over de ontstaansgeschiedenis en tijdvakken van mishandelingen werden meegewogen.
De rechtbank verwierp het verweer dat de verklaringen bij de politie niet meegewogen mochten worden, omdat deze feiten vergeleken konden worden met het asielrelaas. De stelling dat verweerder niet doorvroeg, werd ook verworpen. Bovendien kon eiser niet verklaren waarom hij in een ruime tussenperiode niet werd lastiggevallen door familieleden.
Omdat geen aparte beroepsgronden tegen de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst waren aangevoerd en het standpunt van verweerder dat Marokko ook voor eiser veilig is, werd de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.