ECLI:NL:RBDHA:2022:5050
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering visum kort verblijf
Verzoeker, met de Turkse nationaliteit, heeft een visum kort verblijf voor familiebezoek in Nederland aangevraagd. Dit visum is door de Minister van Buitenlandse Zaken geweigerd wegens onvoldoende aantoning van het doel en twijfel over het vertrek vóór het verstrijken van het visum. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en tevens een voorlopige voorziening gevraagd om de werking van het besluit op te schorten, zodat hij kon deelnemen aan een verlovingsfeest en andere activiteiten in Nederland.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan worden toegekend, bijvoorbeeld bij een zwaarwegend spoedeisend belang of twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit. Verzoeker heeft niet voldoende onderbouwd waarom hij zijn verlof niet kon aanpassen en de beursbezoek op 31 mei 2022 wordt niet als zwaarwegend belang gezien. Bovendien zijn de overgelegde stukken ter onderbouwing van zijn binding met Turkije in het Turks zonder vertaling, waardoor deze onvoldoende bewijs vormen.
Daarom concludeert de voorzieningenrechter dat het verzoek om voorlopige voorziening geen voorlopig karakter heeft en dat het primaire besluit niet evident onrechtmatig is. Het verzoek wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen weigering visum kort verblijf wordt afgewezen.