ECLI:NL:RBDHA:2022:5084

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2022
Publicatiedatum
27 mei 2022
Zaaknummer
NL22.7392 en NL22.7393
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 18 lid 1 onder d DublinverordeningVerordening 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft in 2016 een asielverzoek ingediend in Italië dat is afgewezen. Op 30 november 2021 diende hij een nieuwe asielaanvraag in Nederland in, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 26 april 2022 niet in behandeling is genomen omdat Italië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat verweerder ervan uit mag gaan dat Italië zijn verplichtingen nakomt, waaronder het bieden van opvang aan eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Italië dit niet doet, ondanks zijn stellingen en klachten bij Charitas. Ook heeft hij zich niet tot hogere autoriteiten gewend.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter S.E. van de Merbel op 19 mei 2022.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: NL22.7392 en NL22.7393
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[Naam], eiser en verzoeker, hierna: eiser

v-nummer: [Nummer]
(gemachtigde: mr. C.J. Ullersma),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.F.M. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep en de voorlopige voorziening, op 19 mei 2022 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn na kennisgeving van afwezigheid niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank (in de zaak NL22.7392): verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter (in de zaak NL22.7393): wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat eiser in 2016 een verzoek om internationale bescherming in Italië heeft ingediend. Dat verzoek is afgewezen. Op 30 november 2021 heeft eiser een asielaanvraag ingediend in Nederland. Die asielaanvraag is door verweerder bij besluit van 26 april 2022 niet in behandeling genomen. Verweerder acht Italië de verantwoordelijke lidstaat om de asielaanvraag van eiser te behandelen. Italië heeft het verzoek van verweerder tot terugname op grond van artikel 18, eerste lid onder d van de Dublinverordening [1] geaccepteerd op 7 februari 2022.
2. Verweerder mag er in beginsel van uitgaan dat Italië zijn internationale verplichtingen nakomt, wat betekent dat er vanuit mag worden gegaan dat de Italiaanse autoriteiten de asielaanvraag van eiser zorgvuldig zullen behandelen en aan eiser opvang zullen verlenen als hij aan Italië zal worden overgedragen. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dat niet het geval is. Eiser is hierin niet geslaagd. Eiser stelt dat de Italiaanse autoriteiten hem na zijn overdracht door Duitsland aan Italië geen opvang hebben geboden ondanks dat hij zich tot de geëigende instanties had gewend. Hij stelt hierover te hebben geklaagd bij Charitas. Eiser heeft dit echter niet aannemelijk gemaakt. Bovendien heeft hij zich niet gewend tot de (hogere) autoriteiten om bescherming te vragen.
3. De slotsom is dat verweerder niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Verweerder heeft de verantwoordelijkheid daarvoor ook niet aan zich hoeven trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
4. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2022 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak in de zaak NL22.7392 kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de uitspraak in de zaak NL22.7393 staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening 604/2013.