ECLI:NL:RBDHA:2022:5088
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59 lid 2 Vreemdelingenwet
Eiser, een Soedanese nationaliteit bezittende vreemdeling, werd op 12 mei 2022 onder bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat hij geen verblijfsvergunning meer had in Duitsland en dat hij teruggekeerd was naar Duitsland, maar kon dit niet met documenten aantonen.
De rechtbank oordeelde dat de stellingen van eiser onvoldoende waren om aan te nemen dat hij geen verblijfsvergunning meer had in Duitsland. Ook was niet in geschil dat de noodzakelijke documenten voor terugkeer op korte termijn beschikbaar zouden zijn. De rechtbank verwierp het verweer dat de maatregel van bewaring geen gronden zou bevatten en wees erop dat het belang van de openbare orde de bewaring rechtvaardigt.
Eiser kon niet aantonen dat hij daadwerkelijk in Duitsland was geweest, ondanks een beschikking die hem daartoe verplichtte. Het feit dat hij in Frankrijk was geweest deed hieraan niet af. De rechtbank vond dat verweerder voldoende voortvarend had gehandeld door binnen vier dagen een terugnameverzoek naar de Duitse autoriteiten te sturen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.