ECLI:NL:RBDHA:2022:5175
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens strafbare feiten en belangenafweging openbare orde
Eiser, een Burundese nationaliteit dragende persoon, kreeg een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, die door verweerder werd ingetrokken vanwege het plegen van meerdere ernstige strafbare feiten, waaronder tijdens zijn minderjarigheid en daarna. Verweerder legde ook een terugkeerbesluit en inreisverbod op.
Eiser voerde aan dat zijn verstandelijke beperking en psychische problemen maken dat hij aangewezen is op beschermd en begeleid wonen in Nederland, waardoor intrekking van zijn vergunning disproportioneel zou zijn. Tevens stelde hij dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is omdat Burundi als bestemming is opgenomen terwijl hij niet gedwongen zal worden uitgezet.
De rechtbank oordeelde dat verweerder de belangenafweging volgens artikel 8 EVRM Pro en het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel correct heeft uitgevoerd. De verstandelijke beperking van eiser leidt niet tot een zodanige binding met Nederland dat intrekking onrechtmatig is. Het belang van de Nederlandse staat bij bescherming van de openbare orde weegt zwaarder. Ook is het terugkeerbesluit niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn of het HvJEU-arrest, omdat uitzetting wordt uitgesteld vanwege non-refoulement.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.