Eisers, militair reservisten werkzaam als brandwacht op vliegbasis Eindhoven, ontvingen niet de volledige toelage onregelmatige dienst (TOD) ondanks gelijke inzet en punten als beroepsmilitairen. De Staatssecretaris van Defensie wees hun verzoeken tot terugwerkende betaling af, stellende dat reservisten slechts recht hebben op een deel van de TOD gebaseerd op het aantal oproepdagen.
De rechtbank constateert dat eisers feitelijk dezelfde werkzaamheden en verplichtingen hadden als beroepsmilitairen, waaronder het volgen van hetzelfde jaarrooster en opleidingsvereisten. Ook waren er toezeggingen gedaan door leidinggevenden dat de volledige TOD zou worden toegekend, waarop eisers mochten vertrouwen.
De rechtbank oordeelt dat het onderscheid in rechtspositie tussen reservisten en beroepsmilitairen in deze omstandigheden geen rechtvaardiging vormt voor het verschil in TOD. De eerdere besluiten worden vernietigd en de Staatssecretaris wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen waarbij eisers recht krijgen op volledige TOD met wettelijke rente. Tevens wordt verweerder veroordeeld in proceskosten en griffierecht.