ECLI:NL:RBDHA:2022:5276

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2022
Publicatiedatum
1 juni 2022
Zaaknummer
SGR 20/6873
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na gewijzigde beslissing op bezwaar in WIA-uitkeringszaak

Verzoeker ontving een WIA-uitkering die per 24 september 2019 werd beëindigd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Na bezwaar verklaarde UWV het bezwaar ongegrond, waarna verzoeker beroep instelde bij de rechtbank. Tijdens de procedure vond een onderzoek plaats waarbij medische en arbeidsdeskundige rapporten werden ingewonnen.

Naar aanleiding van deze rapporten nam UWV een gewijzigde beslissing op bezwaar en besloot de WIA-uitkering per 24 september 2019 voort te zetten. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding. De rechtbank oordeelde dat het beroep was ingetrokken vanwege tegemoetkoming door UWV en veroordeelde UWV tot betaling van proceskosten van €1.518,-.

Daarnaast wees de rechtbank erop dat UWV verplicht is het griffierecht van €48,- te vergoeden aan verzoeker. De uitspraak werd gedaan door rechter D.R. van der Meer op 11 mei 2022.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van €1.518,- aan proceskosten na wijziging van het bezwaarbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/6873

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 mei 2022 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. O. Sahin),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. de Wolff).

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die eiser op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) ontving per 24 september 2019 beëindigd.
Bij besluit van 24 september 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft via Skype plaatsgevonden op 1 december 2021. Verzoeker is verschenen met zijn partner en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat verweerder in de gelegenheid wordt gesteld een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) te vragen ten aanzien van de medische informatie die de rechtbank op 18 en 22 november 2021 heeft ontvangen. Daarnaast heeft de rechtbank een aantal vragen voorgelegd en verweerder verzocht de verzekeringsarts b&b daarop te laten reageren.
Op 21 december 2021 heeft de rechtbank een nader rapport van de verzekeringsarts b&b ontvangen. Dit rapport is in afschrift naar verzoeker toegezonden. De reactie van verzoeker is op 31 januari 2022 ontvangen.
De rechtbank heeft vervolgens verweerder verzocht om een nadere reactie van de arbeidsdeskundige b&b op de reactie van verzoeker van 31 januari 2022.
Verweerder heeft met het besluit van 23 maart 2022 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Verweerder heeft het bestreden besluit gewijzigd, het bezwaar gericht tegen het primaire besluit alsnog gegrond verklaard en bepaald dat de WIA-uitkering van verzoeker per 24 september 2019 wordt voortgezet.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld akkoord te gaan met een veroordeling in de proceskosten, mits deze de gebruikelijke bedragen niet overstijgt.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. De rechtbank stelt vast dat verzoeker het beroep heeft ingetrokken omdat verweerder aan hem is tegemoetgekomen, als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. De rechtbank ziet onder deze omstandigheden aanleiding het verzoek om een proceskostenveroordeling kennelijk gegrond te achten.
4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759,- met een wegingsfactor 1).
5. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 48,- te vergoeden. Verzoeker zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Klaus, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2022.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.